(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "De Europischen insecten : naauwkeurig onderzogt, na't leven geschildert, en in print gebragt door"

D E 



EUROPISCHE 



INSECTEN 



DE 

EUROPISCHE 

INSECTEN, 

Naauwkeurig onderzogt, na 't leven gefchildert, en in 

print gebragt door 

MARIA SIBILLA MERIAN: 

Met een korte Befchryving, waar in door haar gehandek word van der 
Kupfen begin, Voedzel en wonderbare Verandering, 

EN OOKVERTOONT WORD 

De Oorfprönk, Spys en Geftak-verwiiïeling , de Tyd Plaats en 
Eigenfchappen der Kupzen , Uiltjes, Vliegen en andere diergelyke 

bloedeloofe Beesjes. 

HIER IS NOG BY6.EV.pEGT 

Een fcaauwkeurige Befchryving van de Planten, in dit Werk voorkomende; en de Uitleg™ van 
agtien nieuwe Plaaten, door dezelve MARIA SiBILLAMERIAN eeteekent 
en die men na haar dood gevonden heeft. ' 

In 't Frans befchreeuen door J. MARRET, Medicina Do&or, 

En door een voornaam Liefhebber in 't Nederduits vertaalt. 




fot lA M ST E RT> A M, 

By J. E B E R N A R D , 

M D CC XXX. 



£ Al 






in 




EUROPISGHE 

INSECTEN, 

Handelende van der RUPSEN begin , voedzel en won- 

derbaare verandering. 



ï. 



Moerbeiïèrï. 



Mortis cum fruèè. 




Eze Figuur verbeeld een Lauwerkrans van Moerbeffenranken met Bladeren , 
Bloeizel en Vrugten, welkers bladeren het regte voedzel is der Zydewormen. 
Deze Wormen komen voort uit eiertjes die by de Liefhebbers den geheelen 
,Winterover zorgvuldig bewaart worden , ze worden in 't. voorjaar door de 
warmte der Zon uitgebroeit , als dan geeft men hun de MoerbefTenbladeren 
tot haar fpys , wel zorg dragende dat de bladeren geen vogtigheit op zig heb- 
^ben , want dit is hun doodelyk. Wanneer deze Wormtjes ontrent agt of tiert 
dagert out zyn , dan word haar koleur uit den donker graauwen > 't Welk een Voorteken is datze 
in korten tyd vervellen zullen , dit gebeurt tot drie of vier maaien : haar koleur is byna geheel 
Wit, maar als zy tot haar volkomen wasdom gekomen zyn, als dan worden zy klaar en eenigzins 
doorzigtigof tranlporant, geduurig heen en weer waggelende met haar hooft, en beginnen uit 
haar mond de zyde te fpinnen , de Liefhebbers dan deeze voorteekenen ziende , zetten ze ordi- 
nair in een peperhuisje > daar in fpinnen zy zig zelf in een Ovaal van vorm als een ei , als dit ge- 
fpin wit is zo zyn de Wormspootjes ook wit geweeft, zo ook als 't geel bevonden wort zyn de voe- 
ten ook geel geweeft , dit volbragt zynde dan veranderd de Worm in een Popje , in deze geftal- 
te blyft hy een en twintig dagen, dan komt daar een witagtig Uiltjen uit, 't welk dit vel door- 
knaagt én van zig ftroo^t, laatende een bruin vogt van zig, zy beftaan uit tweederlei fexé, het 
Manneke is dunder van lyf als het Wyfje, gepaart hebbende , .leggen zy haar eiertjes vaft op een 
papier daar zy tot dien einde op gezet zyn , aldus leven zy negen of tien dagen zonder eeten of 
drinken en fterven. De eiertjes zyn eerft geel van koleur, in groote gelyk de gierft , i n weinig 
tyd worden zy graauw, én wórden dan bewaard tot in 't voorjaar gelyk boven gezegt is; 



Daar zyn tweederley foorten van deze boom , waar van dat 
de eene witte en d'andere lwarte Moerbezien voortbrengt, de- 
welke CafparusBauhinus , Morus frullualbo^tn hltrus fruïïünigro 
noemt. Haar blad is byna rond , en een weynig ruuw of hard 
in 't aanraken, zynde rondom gekarteld. Haar bloeifel is za- 
men gefield uyt vier blaadjes , uyt het midden van dewelke 
voortkomen eenige vezeltjes. Haar Vrugten worden voortge- 
bragt op plaatfen die afgefcheyden zyn door knobbeltjes j zy 
zyn tezamen gefield uyt een langagtig draadje, aan dewelke 
van alle kanten korreltjes groeyen , gelykende na verfdieyde 
kleine kluwentjes aan malkanderen te zamen gevoegt, brengen- 



de yder in'tbyzonder voort een bezie vol zap, in zig bevattende 
een gedraayd pypje, 't welk omringd is met vier blaadjes; ver- 
fcheyde van deze. kluwentjes flellen te zamen de Vrugt , die in 
Zig bevat eenige byna ronde zaadjes. Het geheele onderfcheid, 
dat 'er tuffchen deze twee boomen befpeurd word , is de koleur 
en de groote van de Vrugt der witte Moerbezien, als zynde 
veel kleinder als de fwarte Moerbezien. De bladen van de 
witte Moerbezien- boom zyn beter voor de Zy wormen, als die 
van de fwarte Moerbezien-boomj dewyl dat de zyde daar van 
veel fynder is. 



EUROPI5CHE INSECTEN, 



I I. 



Purpere Tulp. 



Tulifa Purpurea. 



DEze Tulp, ook wel genaamt Marbre Jafpis, is het voedzel van de daar op zittende Rups 
tot in 't laatft van May, als dan veranderd zy in een bruine Pop , na verloop van vyftien 
dagen komt daar een Uiltjen uit, zynde de bovenfte vleugels roodagtig, en de onderfte met het 
lyf graauw. 

Onder aan de fteel zit een Worm de welke de kleine dierkens , die men Luizen noemt, tot 
haar fpys gebruikt, in 't laatft van May verandert deze in een blaas, na veertien dagen komt daar 
een Vlieg uit, zynde geel en fwart geftreept, en de oogen root, 



Cafparus Bauhinusen verfcheide andere hebben deze verfcheide 
foorten van Tulpen willen onderfcheiden wegens deTyden van 
het Jaar, als zy bloeyen. Maar ik geloove dat het beter zoude 
zyn dat men deze op dezelve wyze onderfcheide even als men 
d'AnemiafTen doed door de fes voorname koleuren , dewelke 
zynroode, geele, groene, blaauwe, purpere en witte. Hier 
ftaat aan te merken dat de allerbequaamfte Schilder zig verlegen 
vind, als hy genoodzaakt is de groote verfcheidentheid der 
koleuren van de verfchillende Tulpen op het natuurlykfte te 



vertoonen. Het blad van deze Plant is redelyk breed , omrin- 
gende de fteel , gaande vaasgewyze aan de kant op. De Blom 
heeft fes blaaderen vaasgewys formerende dikwils de buyk 
breeder als de opening. Deze Blom begrypt in zig een Zaad- 
nesje, het welk een langwerpige en driehoekige Vrugt word, 
vol van plat zaad en bolrond : haar wortel is een bol te zamen 
geftelt uyt verfchcide vliezen die in malkander fchieten, aan de 
beneden kant voorzien met vezelen. 



I I L 



Blaauwe Seringa. 



Syringa Ccerule*. 



DIergelyke groene Rupfèn, gelyk onder op een blad zit, heb ik op deze Boom gevonden en 
met die bladeren gevoed tot den twaalfde May , doe maakte zy een wit gefpin en veranderde in 
een bruine Pop, in 't laatft van May kwam daar een ligt bruin Uiltje uit, gelyk boven op de Blom 
verbeelt is. 

Deze op de Blom zittende groene Rups veranderde den tweede May in een bruine Pop, en den 
feven en twintigften O&ober kwam daar een bruin en wit gefpikkeld Uiltjen uit , gelyk boven op de 
Blom verbeeld is. 



Deze Plant is dezelve dewelke Mathiolus, Rat , Tourmfort , 
Dodonaustn Boerhaaven Lilac, dat is: Seringa, genoemt heb- 
ben. De Blom is een pypje aan de bovenkant vaasgewys uyt- 
geftrekt en de meefte tyd in vier deelen gekartelt , en ze is 
gefchjktals een lange tros, zynde de koleur in 'c gemeen 

■M$ : 



blaamv, fomtyds wit of asgraauw > en als verzilvert } na dat de 
bloeizem afgevallen is, komt daar uyt voort een langwerpige 
Vrugt, gelykende na een tong, dewelke zig verdeelt in twee 
holligheden, die in zig bevatten eenige kleine platte zaatjes, 
gelyk als gevleugelde. 






VII 




EUROPISCHE INSECTEN, ' \j 

I V. 
Krieken Bloeizel. Cerafas nigra Men Florem. 

£yEze zoort van Wormen by de Landluiden genaamt Koornworm, om dat hy de wortelen van 
het Koorn afeet, het lyf is witagtig en naakt gelyk de Kaas-Maaden , het hooft is Ooker- 
veel , ik heb dezelve in October in de Aarde gevonden nog klein zynde en bewaart tot het ander 
Jaar, in April doe was hy zo groot gelyk hier onder verbeelt is, zyn verandering brengt een Tor 
voort die men Moolenaars noemt, zyn geftalte is boven op een blad vertoont, zy eeten de jonge 
ipruiten der Vrugtboomen, daarom heb ik ze op deze Boom geplaatft. 



Deze Boom is foo bekent en foo wel door al de Krytkcnders befchreven , dat ik niet onderftaan zal daar van een nader bc* 
fchryvinge te doen. 



V. 

Hyacitith. Byaclnthm Orientalis. 

TTJEze ruige fwarte Rups, gelyk onder verbeeld is, eet veerderlei Bloemen en Kruiden, zy zyn 
J-^ zeer vaardig in ; t loopen, als men ze aanraakt dan rollen zy zig in malkander gelyk een 
klootje en blyven een tyd lang zo leggen, haar volkoomen wasdom hebbende maaken ze een ge- 
fpin, en veranderen in een fwarte Pop, na veertien dagen komt daar een Uiltjen uit gelyk op de 
Blom zit ; haar bovenfte vleugels zyn bruin en wit , en de onderfte bleekroot en fwart geplekt zy 
leggen graauwgroene eiertjes. ' 

Ik heb zulk een Rupsje gehad, gelyk op een Blomtje zit, die maakte zig vaft aan een hout* 
en wierd hart en kort, gelyk boven de groote Rups te zien is, na tien dagen kwam daar een fwarte 
Vlieg uit, daar komen ook wel Vliegen uit die haar agterlyf geel is, gelyk hier mede twee derzek 
ver verbeelt zyn. 



De Blom van deze Plant is tweeflagtig, of Man- Wyf of purper. Haar Vrügtis byna rond, opgeheven aan de drie hoe- 

zonaer itelkje (Monopetale) geformeert aan een langwerpige kenen verdeeld in drie holletjes of kamertjes, vervult met 

pyp, die zig vaasgewys na boven uytftrekt, en zig verdeelt als eenige byna ronde en platte zaden. Haar ftam is rond, glad* 

in ies geinede deeltjes : de koleur is in 't gemeen blaauw, van een groene koleur, wat blceker na beneden , en uyt den 

iomtyts wit, fomty ts lyf koleur , fomtyts nabykomende het bruyngroenen na boven : hare bladen zyn lang en fmal. 



A 2 



EURGPISCHE INSECTEN. 



V I, 



Boterbloem. 



Ranüncultis dulds. 



ZUlke zoort van Rupfen heb ik op deze Bloemen gevonden, en daar mede den geheeleh 
Maant van April gevoec , zy zyn boven op den rug Oranjenkoleur , en van onderen ligt 
geel , vorders zyn ze fwart en een weinig hairig , als men ze aanraakt dan rollen zy zig in mal- 
kander en blyven zeer lang leggen, in Maymaaken zè een gefpin en veranderen in een bruine Pop, 
gelyk aan een blad hangende, verheelt is, na veertien dagen komt daar een fchoon Uiltjen uit, 
welkers hooft , lyf , en bovenfte vleugels fwavel geel , en fwart geplekt , en de onderfte vleugels 
fwart, en root gevlakt zyn : deze Uiltjes zitten over dag ftil by malkander, des avonts beginnen 
zy te vliegen , des morgens zoeken zy weer een donkere plaats om te ruften , na eenige dagen leg- 
gen ze geele eiertjes en fterven. 



t)eze is dezelve Plant als de Ranuncuïus Pratenfis van Cafpa- 
rusBauhinus: men bevind dezelve ook befchreven in de Hortus 
Ey lietenfis ^ onder de naam van Ranuncuïus y OUr -aceus , er -ecJus ,flore 
fimpüci. Deze Plant groeit van zig zelfs in de Weyden fonder 
aanqueekinge, haar blad is diep gekartek in veifcheide gedeel- 



téns, zy is van een fchoone groene koleür. Uit het midden 
van haar komen eenige kleine {lammetjes , dewelke aan haar 
topeinden voortbrengen eenige bloempjes gefchikt als Roosjes 
met verfcheide blaadjes van een geele koleur. Daar uit volgen 
eenige ronde Vrugten, dewelke in zig bevatten eenig zaad;, 



V I t 



Pruimenbloeizel. 



Prunus flortns. 



Eze groene Rupfen met fwarte flippen en een fwart hooft heb ik in 't begin van May op deze 
Boom o-evonden , als men ze aanraakt dan laaten zy zig aan een draatje uit haar mont ne- 
derzakken , waar aart zy zig ook weer na boven weten te begeven > zy zitten de meefte tyd in een 
blad dat ze toegerolt hebben , wanneer ze daar uit gaan en haar genoegen gegeten hebben , dari 
lopen zy met groote fpoet weer in haar blad, waar in zy ook een gefpin maken, en in een Pop- 
je veranderen , ik heb bevonden dat daar Uiltjes uit kwamen, welker voorlyf ligt bruin, en het 
agterfte gedeelte en bovenfte vleugels wit zyn. 

Onder leit een ligt geele Maade die ik in de drek der Wormen gevonden heb, welke in drie da- 
gen veranderde in een bruin Tonnetje, na veertien dagen kwam daar zulk een Vlieg uit, als on- 
der vertoont wort. 

Aan het bovenfte van een groen blad vertoont zig een groen Rupsje , als men ze ftoort dan laat 
ze zig aan een draatje neer, en begeeft zig daar aan ook weer na boven, ik heb ze met deze bla- 
deren gevoet tot den twaalfde Juni, doe veranderde ze zig in een geele Pop, den fes en twintigfte 
Juli quam daar zulk een fwarte Vlieg uit, gelyk mede op een blad verbeelt wort. 



De bladen van deze Boom Zyn langwerpig rond, aan haar 
kanten ligjes gekarteld. Zyn bloeilel is gefchikt na dewyzevan 
een Roos met vyf bladep, hebbende dertig of meer vezelen. 
Het Zaadnesje, dat op de grond van het kelkje is, word een 
ronde of langwerpige Vrugt, bedekt door een glad en effen 



vel , waar van het vleesagtige gedeelte zagt is, in 't midden van 
het welk een langwerpige fleen is, plat, /pits aan btyde de zy- 
den, dewelke in zig befluit een klein Amandeltje. DezeVrugc 
is vafl aan een redelyke lange Haart. 



VJII 




IX 





XI 




EURO PIS C HE INSECTE 



VIII. 



Paardebloem. 



Taraxacon. 



v P deze wilde Bloem vint men in April een Rups , bruin van lyf ; ze heeft aan 't hooft 



iian ccuuvadi gci^iu , en vcianucicu m cen uiumc rop race geci nair Dezet, geiyK. onaer vertoont 
wort, in 't laatft van May kwam daar een graauw Uiltjenuit, gelyk boven op een blad verheelt is. 



. Deze Plant dewelke men ook noemt Dens Leonis, Hedypno'm 
Aphaca en Corona, of ' Caput Monachi, dewyl na het afvallen van 
de bloemen, hy dan verfchynt als met een kaal hooft, bren- 
gendevan zyn wortel voort eenige lange bladeren , middelmatig 
breed, nederbuygende tot op de grond, zvnde aan d'ecne en 
d'andcre zyde diep ingekartelt, op het einde fpits gelyk als een 



pyl; tuïTchen haar verheffen zig eenige ronde, holle , teedere 
ftaarten zonder takken, roodagtigh, vervuld met melkagtig 
Zap , dragende yder op zyn top een fchoone ronde bloem van 
cen geelc koleurj als deze bloem vergaan is, zoo volgt daarop 
een fóort van een hoofd vol van Zaad. 



Dubbeld Möerellebloeizel. 



Cerapt acida , ruira , pre fienó. 



T^\Eze Rups vint men op alderlei Vrugtboomen , dog bezonder op de Karflè en Moerellebco- 
•*-^ men , wanneer ze veranderen willen dan fpinnen ze een Ovaal , 't welk als zilver glanzig 
is, en wat bordig gelyk Parkement, daar in verwiflelen ze haar gedaante in een bruine Pop, gelyk 
op twee verfcheide bladeren verbeek is, na veertien dagen komt daar zulk een graauwköleurig LJÜj. 
tjen uit , gelyk boven op dit takje vliegende vertoont wort. 



Deze Boom is dezelve als de Cerafus Hortenfis\ pre pleno van 
Cafparus Eauhinus , en de Cerafus multiflora van Tabernemon- 
tanus, of de Cerafus vulgaris, duplki fiore van Lobel. Hare 
bladeren zyn groot, fpits, aan hare kanten gekarteld, haar 
kelkje is cen bloempot, gefneden in vyf deden, haar bloem is 



gefchikt als cen Roos, hebbende vyf fleeltjes en dertig vezel- 
tjes, zyn Zaadnesje is cen lang pypje 't welk eenvlcesagtige en 
ronde vrugt word, die inzigbefluiteenrondagtigeenbecnagtige 
fleen, bevattende in zig een pitje na de wyze van cen Aman- 
deltje. 



B 



EUROP1SCHE INSECTEN. 



X. 



KruisbefTenbloeizel. 



Ftos Grojfulam, fatwa, fpinofa. 



IN de Maant April vint men op dit Boomtje een foort van Rupfen, bruin van lyf, fwart ge- 
ftreept, met witte plekjes, ze zyn zeer traag in 't gaan, in de Maant Juni fpinnen ze zig in 
een donker geel Ovaal en veranderen in een bruine Pop , in Juli komt daar een donker geel Uü- 
tjen uit, wiens bovenfte vleugels eider een wit vlakje heeft, gelyk in de figuur verbeelt is. 



Dit Boompje is het zelve 't geen Cïufius befchryft onder de 
naam van Grojfularia majore fruBu , het is zeer getakt, van alle 
kanten met doornen bezet. Haar bladeren zyn klein, byna rond 
als gefneden , haar bloemen zyn klein , yder te famen gefteld 
van vyf bladeren in de rondte geformeert , vaftgehegt aan de 
buytenfte kanten van haar kelkje, dewelke in vyf deelen is be- 



fneden of gekartelt: na deefe bloeifel komt 'er een ronde Vrugt 
voort, vleesagtig, dik, als eenDruyf, geftreept, in den beginne 
groen, en vol van een zuur fap, t'famentrekkende, dog ne- 
mende een gcele koleur en een foete fmaak aan , na mate dat ze 
ryp worden : deze vrugt bevat in zig verfcheide zaadjes. 



X I. 



Karffenbloeizel. 



Cerafus aufiera, forens* 



DIergelyke ligtbruine Ruplèn heb ik veeltyds op deze Boomen gevonden , zy krullen de bladeren 
in malkander daar ze zig verbergen , ze zyn zeer rat , en lopen zo wel agter als voorwaarts , 
als men ze aanraakt dan laten ze zig met een draatje uit haar mont nederwaarts, ik héb ze gevoet 
tot den fesde May , doe maakten ze een wit gefpin en veranderden in bruine Popjes , den feven en 
twintigfte O&ober kwamen daar zulke ligtbruine Kapelletjes uit , gelyk ter zyden verbeelt is. 

Zulke geeiagtige Rupfen heb ik veel gevonden aan de Karffeboomen , ze rollen de groene blade- 
ren in malkander, en zyn zeer rat, ze lopen zowel agter uit als voorwaarts, aangeraakt zynde la- 
ten ze zig aan een draat nederwaarts , waar aan ze zig ook weder na bovenweten te voegen, ik heb 
ze gevoet tot den fesde May , doe maakten ze een wit gefpin , den feven en twintigfte Oótober 
kwamen daar zulke ligtbruine Uiltjes uit , gelyk boven op een groen blad verbeelt is. 




XII 



XIII 




XIV' 





ËUROPISCHE INSECTEN. 



X I L 



Geele Violier. 



Viola lutea. 



OP deze Muurbloem vint men zulke dunne groene Rupfen , ze zyn na proportie langer als an- 
dere Rupfen , ze hebben onder 't lyf geen voeten , wanneer ze voortgaan dan brengen ze het^ 
agterlyf by het voorfte, maaken alzoo een hooge bogt , en fpoeden zo haar weg, ik heb bevonden 
datzezig in Juni op een blad vaft (pinnen en veranderen in een bruine Pop ,in Juli komt daar een 
fchoon bruin Kapelletje uit, gelyk hier naaft de Bloem verheelt is. 

Op die geele Bloem legt een wit Wormtje , 't welk ik in een Raap heb gevonden , dit verander- 
de in een Tonnetje, na tien dagen kwam daar een kleine Vlieg uit, gelyk boven op de Bloem ver*, 
beek is. 



Deze Plant is dezelve , dewelke Cafparus Bauhinus föola, 
Montana^ Lutea , grandiflora noemt. Hare bladeren fyn lang 
en fpits, vaftgehegt aan lange ftaarten, tufichen haar klimmen 
op klyne Zuyltjes, dewelke onderfteunen een groote gecllag- 
tc bloem, famengefteld uyt vy f bladeren, en een foort 



van een tepekje of van een fpóor, die onderfteunt worden 
door een kelkje, tot op de grond toe verdeeld in vyf deden. 
Wanneer de bloem verwelkt is, komt een driehoekige Vrugt te 
voorlchyn , dewelke zig aan drie zyden opent als fe ryp word , 
in zig bevattende verfcheide ronde zaadjes» 



XIII, 



Pruimen van Damaft. 



F los Vrun& ~Damafcen&. 



Ulk een fchoone groene Rups met fwarte ftreepen en geele koraaltjes , heb ik met deze bla^ 
.j deren gevoet tot in 't laatfte van Juni, als wanneer ze zig in een Ovaal, blinkende als zilver 
bordig als Parkement heeft ingefponnen, en veranderde in een bruine Pop, in 't begin van Au- 
guftus kwam daar zulk een fchoon Uiltjenuit, welkers onderfte vleugels geel, bruin geftreept, 
en fchoon gevlakt zyn. 

Aan het onderfte groene blad hangt een Beesje met een bruine harde fchors omvat j dit gaat 
langzaam met zyn huisje voort gelyk de flakken, ik heb het gevoet met deze bladeren tot den 
twintigfte Juni, doe bleef het ftil leggen, den elfde kwam een zulk wit Uiltjen daar uit, gelyk 
boven het bruine Rupsje verheelt is , het ander Beesjen daar tegen over is ook van dien aart. 



De bladeren van defe Plant zyn langwerpig en redclyk breed, een weinigje aan haar kant gckartelt, Haar Blom heeft vyf bladerend 



B 2 



EUROPISCHE INSECTEN, 



Roode Aalbeffebloeizel. 



X I V. 

Grofularia hortenfis , nonffinofa^ fiörens. 



MEn vint een ibort vanRupfen op dezeBoomtjes , welkers voorlyf uit dengeelen, en het ag- 
terlyf boven wit en onder geel is, ik heb ze gevoet tot dat ze veranderden in een Pop, 
gely kende wel een gebakert kint, als met gout en zilver verziert, in 't laatft van Juni kwam daar 
een Kapelle uit, welkers bovenzyde hooggeel en bruin gevlakt, en van onderen bruin met fwarte 
plekken verziert was. 



Het is het zelve Boompje als de kibefium, fruftu rubro, van 
Dodonteus, en de GroJJularia, mulliphci acino of non fpinoja, 
Hortenfis rubra, of Ribes Officinarum , of Winkelkruyd-bezie- 
boom van de Pinax van Cafparus Bauhinus. Dit Boompje 
brengt voort een meenigte van looren of fpruitjes, ontrent an- 
derhalf ellen hoog. Zyn bladen gelyken na een Wyngaard blad, 
dog klcinder, zagter en bogtiger, van een donker groen ,giad, 
en rondom gekarteld. De bloemen van dit Boompje zyn tros- 



gewyfe te fa men gevoegt, waar van de zuiltjes uit de hollïghe- 
den van de bladeren voortkomen : yder van deze bloemen is te 
famen gefteld van vyf purperagtige bladeren , geformcert als een 
Roos , en voortkomende uit de kerven van een kelk , gegroeit 
op de wyfe als een bekke, waar van het agterdeel verandert 
word in een ronde en roode kern, blinkend, fagt, vol van een 
fuur fap, en breed twee diametrale ftreepen, hebbende in zig 
verfcheide korreltjes die de gedaante hebben van een niertje. 



X V. 



Boterbloemen. 



Ranunculus praten/is. 



z 

met 



Ulke bonte Rupfen heb ik met deze groente gevoet tot in de Maand Juni , doe veranderde 
i ze in een fwarte Pop , waar uit een fchoone Kapelle kwam , welkers bovenfte vleugels ligtgeel 
fwarte ftippels , en de onderfte vleugels Oranjenkoleur met fwarte ftreepjes verziert waren. 



Cafparu3 Bauhinus noemt deze Plant Ranunculus Pratenfis, 
ereclus , acris, en Johannes Bauhinus Ranunculus ereclus nonrepens 
flor e ftmplïcï luteo , en Lobel Ranunculus Praten/is [urretlïs caulï- 
culis. Tot deze foort moet men niet overbrengen de Ranuncu- 
lus Sylvejlris van Tabernemontanus , gelyk de Bauhini gedaan 
hebber. Die van Tabernemontanus is defelve als de Ranuncu- 
lus polyanthemos van Lobel , waar van de Wyf jes veel fynder 
gekartelt zyn , en die van de Ranunculus Hortenfis ereclus flsre 
pleno niet verfchik van Cafparus Bauhinus, als door deze bloe- 
men die enkeld zyn: over fulks heeft de Heer Rai Z'g daar in 
bedrogen gevonden, zeggende dat de dubbelde was eene ver- 
andering van de Ranunculus Praten/is , ereclus, acris van Cafpa- 



rus Bauhinus, dewelke met reden daar van de Polyanthemos van 
Lobel onderfcheiden heeft. De Wyf jes van deze plant zyn in 
verfcheide deelen zeer diep ingefneden, hare bloemen zyn op 
verfcheide plaatfcn gefchikt als een Roos , in zig bevattende 
veel vezelen : na dat hare bloemen zyn afgevallen of verwelkt , 
foo volgen daar op ronde Vrugten of rolswys rond j Cefalpinus 
heeft van de Ranunculus foo verwardelyk gefproken , dat het 
byna onmogelyk is te bepalen onder wat vooreen naam hy van 
deze gefproken heeft. Cafparus Bauhinus heeft gelooft dat het 
was onder die van de Ranunculus leevi ac mollï folio, alhoew»l 
deze naam hem weinig voegt. 



XVI 





XVII 







XVIII 




XIX 




EUROPISCHE INSECTEN» 



X V ï. 



olmm. 



Kervel. 

Dit Kruit is het voedzel van een groene witte geftreeptë gladde Rups , ik heb ze gevoet tot 
in 't laatfte van May , doe maakte ze een dun gefpin , en veranderde in een Kaftanjebrüine 
Pop, na veertien dagen kwam daar een bruin Uiltjen uit, gelyk in de figuur verheelt is; 



Deze moeskruidlge Pïant groeit byna een voet hoog , en 1c- 
verd uit van hare wortel veel teedre en takagtige , gladde , lan- 
ge, en van buiten geronde fteeltjes, maar van onderen hol, na 
de wyfe van kleine gootjes, zynde bleekgroen : voornamentlyk 
na de beneden kant, fomtyds roodagtig na de boven kant, 
wanneer zy haar zaad fchieten , opgevult met veel fap : haare 
bladeren zyn zeer gelykende met die van de Scheerling, maar 
ze zyn veel kleinder, dunder en een weinig dieper ingefneden, 
en fagter in het aanraken, van een gemengeld groen, van de 
bovenkant omzet met zeer fyne hairtjes, fomtyds roodagtig \ 
doordrongen met fap. De fmaak en de reuk van deze bladeren 
is lieflyk en geurig, haare bloemen komen aan de top van de 
takken te voorfchyn als een Zonnefcherm , wit , klein , famen- 
geftelt uit vyf ongelyke blaadjes gefchaart als Rofen » en met 



even foo veel vezelen en een kelkje, dewelke, als de bloem 
is afgevallen , een langwerpige Vrugt word, vol van twee lang- 
werpige zaden , dun, fpits en zeer gelykende na de bek van 
een Vogeltje, van een donker graauwe koleur, waar van d'ee- 
ne glad en d'andere hard is in het aanraken. Haar wortel is 
enkeld en ftrektzig uit in de lengte langer als een halve voet, ef- 
fen, regt en dik na de boven kant, allengkens dunder afloo- 
pende als een Rotte ftaart, tot aan het uicerlte einde, 't geen 
byna is als een punt, aan de buitcnfte bovenkant voorzien met 
zeer na by elkander ftaande vezeltjes : zy is wit, teeder, vlees- 
agtig , en wegens de fmaak wat fcherpagtig : zy heeft van bin- 
nen een foort van een zenuw , gelykende na een dun touwetje , 
zeer teeder en ligt om te breeken. Het grootfte gedeelte van de 
Kruid- kendêrs noemen deze plant Gharophyüum. 



V I I. 



Wonderbare Rüpferi. 



Vermes miraculofi. 



DEze twee groöte , dog malkander in gedaante en koleur verfchillende Rupfen , heb ik in 't 
Gras gevonden , het welk haar voedzel is; zy veranderen op de ordinaire manier , zig zelf 
inlpinnende verwifïelen ze haare geftalte in een graauwe Pop , waar na uit elk een groote donkeif 
Oranjekoleurde Uil te voorfchyn kwam, die malkander byna in alles gelyk waren. 



10 



EUROP1SCHE INSECTEN. 



X V I I L 



Appelbloeizel. 



Malus mellea florens. 



jlt flag van Rupfen is alle Vrugtboomen zeer fchadelyk, dog voornamelyk de Appelboom * 
ze verfpreiden zig des daags over den geheelen Boom , en des nagts komen ze alle by mal- 
kander in een bondel of het fpinneweb was , deze Rups is uit den bruine , heeft op elk lit op haar 
rug gelyk blaauwe en roode koraalen , wanneer ze een dan gefpin om zig gemaakt hebben, dan 
veranderen ze in een bruine Pop , waar uit na veertien dagen een witte bruin geftreepte Uil voort- 
komt, wanneer die haar eiertjes geleit hebben, dan dekken ze dezelve met een geelagtige dons> 
dat men de eiertjes niet zien kan , waar door ze des Winters voor de koude wel befchermt zyn. 

Nog heb ik op de Appelboomen een klein geelagtig Rupsje gevonden, weikin 't laatftvanMay 
een gefpin om zig maakte , daar ze in overwinterde , en in 't Voorjaar kwam daar een kleine Vlieg 
uit, gelyk boven vertoont wort op de groene bladeren. 



Daar Zyn tweederlei foorten van Appelboomen, d'eer.e Tam- 
me en d'andere Wilde: de aangequeckte kan onderscheiden 
worden door groot en klein flamde. De bladeren van deze 
Boom zyn langwerpig of byna rond, d'ecne Homp en d'andere 
fpits, aan haare zoomen en weinigje gekarteïtj van onde're een 
weinig ruigagtig als zy nog jong zyn. Haar Bloeifels zyn ge- 
meenlyk gefchikt als de Rooien met vyf bladeren, wit, nek- 
kende na een purpere kolcur, gehegt aan korte fteeltjes: 
na dat haare bloeifels zyn afgevallen, zoo volgen daar opvle.s- 
agtige V rugten, byna rond, hol, endiepagtig als een navel in 
de plaats daar het fteeltjc aan valt gehegt is, en van voren ook 



gehold door een andere kleine diepte j daar Zyn in het midden 
van deze vleesagtige Vrugt vyf huisjes, vervult met langwerpi- 
ge korreltjes, bedekt met een bruin of roodagtig fchiltje, ver- 
vult met een wit pitje. Het onderfcheid dat men befpeurttuf- 
fchen de Vrugt van deze Boom , beftaat in de dikte , koleur , 
en in de fmaak. Men ziet 'er ook felfs die de fmaak en koleur 
van een Peer deelagtig zyn. De onderfcheidentheden komen 
voort van de lootjes, die men ent op de Appelboomen. Al de 
Appelen zyn bedekt met een dun ichilletjej fagt in 't aanra- 
ken, effen en glinfterende, het vleefch van de meefte is wit, of 
wat trekkende na den geele, en van eenige ropdi, 



X ï 



Roode Roozen. 



r a mcamata. 



i Oven op de Roozeknop zit een kleine groene Rups , die niet alleen de groene bladeren op 
) eeten , maar ze hollen ook de knoppen van binnen uit , zo dat ze de Roozen haar volkomen 
wasdom beletten , zy veranderen in 't laatft van May in een Okerverve Pop , in Juni komen daar 
zulke Kapelletjes uit , gelyk op de Roos verheelt is. 

Onder aan de fteel van de Roos kruipt een kleine bruine Rups , die mede de knoppen uit eet 
gelyk de andere , ze veranderen in May , in Juni komen daar zulke Kapelletjes uit gelyk ter zyden 
een vliegende verheelt is, welkers bovenfte vleugels Okervervig en de onderfte graauw zyn. 

Van onderen op een groen blad zit een groene Rups , welkers aart is altyt onder de bladeren 
ruglings te gaan eeten , ik heb ze gevoet tot den tienden Juni , wanneer ze een dun wit gefpin 
maakte , en in een houtvervige Pop veranderde , den zes en twintigfte dito kwam daar een bruin 
"Uiltjen uit, gelyk op de afgevallen Roos verheelt is. 



XX 




XXI 




XXII 



XXIJI 





EUROPISCHE INSECTEN. 



ir 



X 3K 



Hagedoornbioeizel. 



Oxydcantha fioreris. 



DEze bontgekoleurde Rupfèn vint men veel öp de Hagedoorn, dog ze zyn ook niet vies van 
de bladeren der Vrugtbomen , na dat ik ze eenige tyd gevoed had , maakte ze een graauw 
gefpin, en veranderde in een bruine Pop, die zo levendig was, dat als men ze aanraakte , ze zig 
rontom rolde, na twaalf dagen kwam daar een wit Uiltjen uit , 't lei geele eiertjes en ftierf. 

Deze vuile Wormen vint men in Hinkende geuten , ze veranderen in Tonnetjes met (tarten , 
daarom ook wel genaamt Muisjes, ik heb bevonden dat daar na zeventien dagen een trage geelag- 
tige Vlieg uit komt, 



Dit is het zelve Boompje, 't welk Cafparus Bauhinus en Pit. 
Tournefort Me/pilus Apii folio fylvefirh fpir.ofa noemen , en 't welk 
Joannes Bauhinus Spinusalbus noemt. Dit is een voltakkis* Boomp- 
je, bezet met ftekelagtige en ftyve doornen, bedekt meteen bruin 
iwartagtige of roodagtige fchorfc. Haare bladeren gelyken na 
die van de Eppe, van een lymagtige fmaak ; haare Bloeifels 
walTen als in een gedrongen by meenigte of als Ruikertjes, valt 
gehegt aan wicte fteehjes, vaneen foete en aangename reuk, 



een ydér van dezelve is als een Roos, te famengefteld van vyf 
kleine blaadjes, en van roodagcige vezelen. Haar Vrugten zyn 
van de groote van de Beffen van een Myrteboom, rond, rood- 
agcig, wanneer ze ryp zyn, gelyk als Zonnefchérmpjes, han- 
gende van hare fteeltjes, een yder van haar hebbende een kleU 
ne kroon of zonnefcherm van een fwarte koleur. Deze Vrugt 
is een vleefch of fagte en lymagtige bol, die in zig bevat twee . 
harde en wicte {teentje?* 



Queebloeizel. 



fc 



Üötónem, flat* 



ZUlke groote Rupfen heb ik op deze Boomen gevonden, ze zyn Okergeel en fwart geflreepé 
met witte ftippelen, de kop en ftart is Oranjekoleur, wanneer men ze aanraakt zo maaken 
ze met de kop een groote beweeging, ik heb ze met deze bladeren gevoet , tot dat ze een geel- 
agtigbordig gefpin maakte, en veranderde in een Pop, na drie weeken kwam daar een Okerver- 
wige Uil uit die den geheelen dag ftil zat, als men ze aanraakte dan vloog ze heel onbezuift over- 
al tegen aan, dezelve leit geele eieren. 



Dit is een klein Boompje, waar van het bout hard is, krom, 
witagtig, bedekt met een baft een weinig effen en hobbelig, 
en van buiten afchverwig , en roodagtig van binnen. Haar 
Bladeren zyn van de groote van den Appelboom , heel . witag- 
tig, vanonder wolagtig: haar bloeifels zyn gefchaart' als een 



Roos ipet vyf bladeren, gely kende ha Hondsroofen , zyndelyf- 
verwig- van koleur: na dat het bloeifel is afgevallen komt 'er 
voorteen Vrugt van buiten wolagtig, vleesagtig, en wit van 
binnen, dewelke heeft vyf kamertjes met langwerpige korrel- 
tjes of zaden, aan het cene einde fpitfer als aan het andere. 



ii EUROPISCHE INSECTEN', 



XXII. 
Roos. Roja multiplex, media. 

ONder op het fteeltje van de Roozenknop zit een kïein geel Rupsje , dit veranderde in Juli 
in een groen en root Popje, na veertien dagen kwam daar zulk een aardig graauw Beesjeuit, 
gelyk ligt Okerkoleur , en wit geftreept zynde. 

Diergelyk een Rups leide zig neer of ze dood was , na eenige dagen kroopen daar vyf Maaderi 
uit, die in witte Tonnetjes veranderden, welke Tonnetjes de voorfchreveRups aan malkander fponj 
en ftierf, na veertien dagen kwam uit elk Tonnetje een klein Vliegje, 



Dit is het zelve Boompje, het welk Joannes Bauhinus en Clufiüs bloeifel beflaat uit verfcheide groote bladeren, onderfteunt door 

Centifelia Batavica genoemt hebben : de takken van dit Boom- een kelk die in 't vervolg een eyronde Vrugt word , na de wy- 

pje zyn hard, omzet met ftyve doornen: zyn bladeren zyn ze van een Olyf : zyn baft is wat vleesagtig, zy bevat in zig 

langwerpig* hard in 't aanraken, rondom gekarteld: zyrt eenige zaden, dewelke ruig en hoekig zyn. 



XXIII. 

Krieken. Cerafus major , fruBu fubdulci. 

DEze fchoone Rups heeft dwars over den rug gelyk fwarte banden met Paarlen geborduurd , ik 
heb ze met deze bladeren gevoet , eens by gebrek van fpys aten ze malkander op , ze fponnen 
in Juli een Ovaal blinkende als zilver , en veranderden in Popjes , in Augufti kwamen daar fchoone 
Uiltjes uit, zynde fwart, wit, graauw, oranje- en rooferoot gekoleurt. 

Op de Kriek vertoont zig een fchoon Zeegroen Rupsje heel gaauw in 't lopen, dit veranderde 
in 't begin van Augufti in een bruin Popje , in 't laatft van deze Maant kwam daar zulk een Ka- 
pelleke uit, gelyk in de figuur verheelt is. 



XXIV 





XXV 



XXV11 



XXVI 





EUROPISCHE INSECTEN. .13 

XXIV. 

Goote Roos, Rofa maxima 3 multiplex. 

Dit zoort van kleine Rupfen zyn groen met fwarte hoofjes,eeten van binnen de fleelen en knop- 
jes uit , op dezelve wyze , gelyk aan het onderfte knopje te zien is , als men ze aanraakt , dan 
laten ze zig aan een draat neer, en aan de zelfde draat werken ze zig ook weer na boven, in 't 
laatft van May veranderen ze in bruine Popjes, na veertien dagen komen daar zulke als goutbiin- 
kende Kapelletjes uit, die zeer vaardig zyn in t' vliegen, en geftoort zynde, zig heel aardig onder 
de bladeren weten te verbergen. 



xxv* 

Groote Kruis beffen. Frutfus GrofalarU, fpinoft. 

AAn een blad vertoont zig een groene Rups die byna over ent ftaat, als men ze aanraakt dan 
flingeren ze met het bovenlyf heen en weer, ze houden zig met de agterfte pootenzo vaft , 
dat men ze naauwlyks zonder te beïchadigen los kan trekken , ik heb ze gevoet tot in 't laatft van 
May, doe veranderde ze in bruine Poppen, na veertien dagen kwamen daar witte, bruine, ge- 
plekte Kapellen uit, gelyk onder op de figuur verbeelt word. 

Op een Bes zit een Rupsje, 't welk in 't midden groen, en het voor en agterlyf geel en {wart 
geftippelt is , ze zyn deze Vrugt zeer fchadelyk , ze vervellen tot verfcheide maaien" , en worden 
elke reis fchoonder, in 't laatft van May veranderen ze in Popjes, na drie weken komen daar geele 
Vliegen uit, gelyk mede op deze zyde verbeelt word. 



D 



J 4 



EUROPI-SCH E, INSECTEN. 



XXVI. 



Groote Brandenetelen. 



Vrtica urens, 



major. 



|Eze groente is het voedzel van een zoort fwarte Rupfèn, ik heb daar van eenige in een doos 
bewaart, die zig den veertienden Juni alle boven aan het dekzel vaft gemaakt hadden en ver- 
andert waren in bleekgeele Poppen, myne nieuwsgierigheid dreef my orn een daar van te openen, 
die ik aldus bevont , gelyk onder aan een blad afhangende verheelt is , den agtentwintigften dito 
kwamen daar Kapellen uit, welkers buitenffe zyde bruin, en de binnenfte donker oranje , met fwart 
en purper zeer fchoon gekoleurt is. 

Uit een derzelver Popjes, die wel de grootfte was, kwam een fwarte ftinkende Vlieg uit, gelyk 
boven de Pop op een blad zittende verheelt is. 

Jk heb ook in den drek van deze Rupfen, Maaden gevonden, die veranderden in fwarte Tonne- 
tjes, na twaalf dagen kwamen daar zulke Vliegen uit, gelyk onder vertoont word 



Deze Plant , die dezelve is , als de Urtica urens maxima van 
Cafparus Bauhinus en van Pit. Tournefort , doet uitfpruiten 
eenige takagtige, ronde, vierkantige en holle fleelrjes , bezet 
met een flekelig hair, bekleed met tegen elkander overgeflelde 
bladeren, breede, driehoekige, fpitfe, gekarteld aan hare kan- 
ten, voorzien met een flekelagtig en brandend hair, gehegt 
aan hare fteeltjes. Hare bloempjes komen voort uit het boven- 
ite van de Hammen: en eenige takjes uit de hollighedcn van de 



bladeren, zynde vier aan vier kruiswys gefchikt aan yder paar 
bladeren: yder heeft verfcheide vezeltjes, ondcrfleund dooreen 
kelk met vier bladeren : op deze Bloemen volgen ronde Vrug- 
ten, die als hair te zamen gefield van verfchide kapjes of doos-, 
jes die zig openen in twee deelen, en in zig bevatten een ey- 
rond en puntagtig zaad. De HeerBoerhaaven fielt dat 'er zyn 
mannelykc, vrouwelyke en man-wyvige Brandenetels. 



X X V I ï. 



Roode Willige. 



Saitx acuto folio. 



OP het lange afhangende blad vertoont zig eenBeesje, zynde geheel met fwarte ftipjes. Den 
veertienden Juni maakte het zig aan een blad vaft en veranderde in een Popje , na vyftien 
dagen kwam daar zulk een Tor uit , gelyk boven op een blad zit , die haar zaat weer op deze bla* 
deren leggen , waar uit dan gevolgelyk weer jonge Beesjes uitkomen. 

Op het onderfte blad vertoont zig een bruin Rupsje. Ik heb ze met deze bladeren gevoed j den 
zesden Juny maakte ze een gefpin, en bleef daar in tot des anderen Jaars in May, doe kwam daar 
zulk een Vliegje uit, gelyk onder verheelt is. 



Deze Boom doet uitfpruiten dunne takjes, overtrokken met 
een roode of donker purpere koleur. Hare bladeren zyn fmal, 
lang, en aan hare kanten gekorven, zonder hair, van onderen 
een weinig wit. Hare groene fchiltjes zyn als lange Koorn- 
aaren, te famen gefield uit eenige bladeren, uit welkers grond 
voortkomen eenige vezelen. De V rugten beginnen voort te 
komen als Koorn-aaren, overladen met eyertjes, die daar na 



worden als kleine vleesagtige, langwerpige doosjes, in zig be- 
vattende zeer dunne zaadjes. Dodoneus en Johannes Bauhinus 
hebben gemeent, dat de Bloeizels van deze Boom als hairagti- 
ge korreltjes wierden; maar Cefalpinus heeft zeer wel aange- 
merkt, dat de Wilgeboom , die bloeizels voortbrengt, geen 
Zaad uitlevert, en dewelke Zaaden doen voortkomen, niet en 
bloeyen. 



XXVIII 



XXIX 





XXXI 



XXX 





EUROPISCHE INSECTEN, if 

X X V 1 I L 

Gevlamde Roos. Rofa <verj7color. 

DEze op de Roos zittende Kaftanje-bruine Rups kruipt op haar buik, om dat ze maar voor 
drie pooten heeft, ik heb ze met deze Roozen gevoed tot" in 't laatft van Juni , doe wond 
ze zig in een Roozenblad, en veranderde in een bruine Pop, gelyk op de Roos te zien is , na 
veertien dagen kwam daar een fwart en wit gevlakt Kapelletje uit, mede op de Roos zittende 
verbeelt. 

Aan de fteel zit een groen Rupsje, die heb ik ook met Roozenbladeren gevoed. In 't begin 
vari juli veranderde het in een Popje , na veertien dagen kwam daar een Okergeel Kapelletje uit , 
gelyk onder vertoont word. 

Diergelyk een Rups leide zig neer of ze dood was, uit welke een witte Maade kroop, die na een 
korten tyd veranderde in een Tonnetje, na veertien dagen kwam daar zulk een Vlieg uit, gelyk 
op het middelfte blad verbeeld ftaat. 



Witte AalbefTen. Grojfularia horten/is . 

E En fchoonewit en fwartgevlakte Rups geneert zig op deze Boompjes, wanneer deze Rups voort 
wil dan zet ze haar agterlyf by het voorfte, maakt met haar lyf een hooge bogt, en gaat 
zo haar gang. Ik heb ze met dit groen gevoed tot den dertienden Juli, doe veranderde ze in een 
ligt bruine Pop , in 't laatft van deze Maand kwam daar een fchoon wit , geel en fwartgevlakt Ka- 
pelletje uit , 't welk zeer rat in 't vliegen was. 



D % 



i* E U R O P I S C H E INSECTEN. 

X XX. 
Palmwillige. Salix caprea 3 latifolia. 

DEze fchoone Rups heb ik met deze bladeren gevoed, den agtften Juni veranderde ze in een 
fwarte Pop met witte plekken en met wit hair bezet, na veertien dagen kwam daar uit een 
wit Uiltjen, zo glanzig als Paarlemoer, en leide witte eiertjes. 

De onderde witte Worm heb ik in de Aarde gevonden, en in een doos met Aarde bewaart, en 
met verfcheide wortels gevoed tot in May: grooter geworden zynde, doewierd hyop de rug bruin 
gevlakt, ten laatften veranderde hy in een Oorworm. 



Daar zyn twee afbeelcizsls van deze Plant in de Befchryving Biuhirms ze brengt onder een foort van een Salix folio ex rotun- 

van de Planten van Lion. De Salix aqaatica Lobel. febyntver- ditate acuminato. Men moeft deze dan ten minfte onderfcheiden 

fchillende van die gene die men hier ziet , maar de bladeren als iets dat daar van veel verfcheelt. 
daar van zyn zoo lang , dat het te verwonderen is dat Cafparus 



XXXI. 
Kleine Kruisbeflen. Grofiularia alba vulgaris. 

Dit foort van Rupfen geneert zig op alderlei Vrugtbomen, dog voornamelyk op de KruisbeC 
fen; het lyf is graauw, langs de rug loopt een fwarte ftreep, ze zyn heel ruig van hair, 
het hooft is geel, agter het hoofc hebben ze aan elke zyde vyf blaauwe, en langs het lyf roodeko- 
raaltjes. Zy veranderen in Augufti in ligtbruine Popjes, die, als men ze aanraakt, zig omwen- 
telen. In September komen daar zulke Uilen uit, die wit, geel en fwart geftreept zyn. 



XXXII 



XXXIII 






XXXIV 




XXXV 



EUROPISCHE INSECTEN 



37 



XXXII. 



Gemeen Gras. 



Gr amen prat en fe 3 vulgarè. 



DEze graauwe Rups heb ik met Gras gevoed tot in Juli, doe maakte ze een graauvv gefpin ers 
veranderde in een graauwe Pop. In Augufti kwam daar een donker OranjekoleurdeUiluit, 
die groene eiertjes leide. 



De bladeren van deze Plant zyn lang, dun, teeder, groen, 
fpits: daar fchieten tuflehen haar op eenige pypjes of ronde 
fteeltjes, omkleed met eenige bladeren, en dragende aan hare 
toppen roodagtige aaren , daar vezelagtige bloemen aan ge- 
hegt zyn , waar van de kelk fchubagng is. Na deze bloe- 
men komen daar langwerpige en roodagtige korrels te 
voorfchyn. Het gemeene Gras of het regte Gras van Clufius 
en verlchilt niet van het goude Gras omtrent zyn wortels, de- 
welke is lang, hart, langs de aarde voortkruipende, de een 



den andere om vlegtende, maar wegens zyn pypje dat korter is, 
en wegens zyn aaren die kleinder zyn als die van het Hondsgras, en 
zyn gefchiktals een Waayer,of gelykde Vingers van een Hand; 
Johannes Bauhinus noemt dit Kruid Gramen pratenfe vu/gare , 
fpicaferè arundinacea, magna. Men vind fomtyds dit Hondtgras 
met een Rietpluim, negen of tien duim lang; men moa zs 
niet onderfcheiden van het Gramen Pratenfe, panicuïatum y majus t 
latiore folio , ?ro* Theophrafti , als weinig daar van verfchillende. 



XXXIII. 



Slee Pruimen. 



Acacia Germanica. 



DEze Rupfen zyn blaauw, geel en wit geftreept, ze beminnen het vogt zeer, des avonds voe- 
gen ze zig alle by malkander in een gelpin , gelyk een fpinneweb. Ik heb ze met deze bla- 
deren gevoed tot den tienden Juli , zy fponnen elk een Ovaal gelyk de Zydewormen , en ze veran- 
derde in fwarte Poppen : in 't .laatft van Juli kwamen daar ligtbruine Uiltjes uit. Ze leggen haar 
eiertjes rontom de takjes, als een ring, daarom zyn ze befwaarlyk om uit te roeijen. 

Ik heb in haar drek Maaden gevonden, die veranderden in Tonnetjes, na veertien dagen kwa- 
men daar zulke Vliegen uit, gelyk boven verheelt is. 

De onder aan de fteel zittende geelagtige Rups was zeer gaauw in 't loopen, ze maken haar wo- 
ning in eengroen blad tot malkander gerolt, ze geneerde zig met deze bladeren tot 't laatft van 
May, doe veranderde ze in een bruine Pop, na veertien dagen kwam daar een ligtbruin Uil- 
tjen uit. 



Dit is een doörnagtig Boompje, hare bladeren Zyn langwer- 
pig , redelyk breed , argerond , en aan haar kanten ligtelyk ge- 
kartelt: hare bloeifels lchieten eerder uit als hare bladeren, de- 
welke zyn klein, bitter, wit, teder, yder van haar te famen 
gefield uit vyf bladeren , en eenige vezeltjes in 't midden. 
Wanneer haar bloeizel is afgevallen, zo volgen daar op eenige 



kleine Pruimen , als een dikke RaZyne korrel , byna rond of 
ey-rond, van een fwarte koleur een weinig na den blaauWê 
trekkende. Deze Vrugt bevat in zig een dikke fteen, als die 
van een Kers, ey-rond of een weinig langwerpig. Men heeft 
in de figuur van Tabernemontanus vergeten te vertoonen de 
Doornen van deze Plant. 



iS 



U R O P 15 € H E INSECTEN, 



XXXIV. 



Hondsdraf. 



H&dera terreflris ' 3 Jlorens. 



Dit Kruid is het voedzel van deze groene Rups, als men ze aanraakt dan rollen ze zig in mal- 
kander, en blyven in deze geftalte een langen tyd leggen , ze veranderen in 't laatfte van 
Juli, in Augufti komen daar Uiltjes uit, welker vleugels houtvervig, en de bovenfte met groene 
ftreepen geciert zyn. 



De gemeene aardagr.ige Klimop van de Pinax van Cafparus 
Biuhinus (trekt zig uit in de lengte door middel van veele of 
verfcheide vierhoekige teenen, vol vezelen , dewelke van alle 
kanten te feffens langs de riviertjes als voortkruipende voortko- 
men, gelyk ook in de Doornheggen en in de Velden, doende 
uitfehieten, die men vierkante roodagtige (lammetjes, waar 
uit voortkomen eenige tegen elkander overftaande bladeren, by 
paaren , te famen gehegt door lange (kelen , dewelke oorsge- 



wyze rond, gekorven en een duim breed zyn, een weinig wol- 
agtig, tn gemeden door eenige gelykekerfjes, Haar bloeiZels 
komen voort als ruikers uit de holligheden van de baderen, ze 
zyn gemaakt als een mond, of een pypje, van boven gefneden 
als twee lippen, blaauw van koleur: op dit bloeizel volgen vier 
langwerpige zaden, te famen gevoegt en befloten ineen doosje s 
't geen de bloem verftrekt heeft tot een I 



XXXV, 



Irias. 



Iris hortenjis , laiifolia. 



OP deze harde groene bladeren vond ik zulke groene Rupfen , waar mede ik ze ook een tyd 
lang gevoed heb} ik had ze eens verzuimt om eeten te geven, doe aaten ze malkander op, 
dog haare gewoonlyke fpyze weer krygende , lieten ze 't woeden vaaren. Ze waren zeer gaauw 
in 't loopen, ze veranderden in Oétober, en des volgende Jaars in Maart kwamen daar bruine Uil- 
tjes uit, die op yder vleugel een witte vlak hadden. 



De gemeene Irias van Dukfchland , of de Wilde van de 
Pimx van Cafparus Bauhinus (Lifch, welriekende Lifch alias 
Kulmus) verfpryd ayn wortel fchuins en krom langs de opper- 
vlakte van de grond: zy is dik, van eikander gefcheiden door 
knobbels, gevende van zig een goede reuk, na dat haar over- 
tollige en fcherpc humeur vervlogen is. Zy brengt voort eeni- 
ge bladeren van een duim breed , ronde, een half el lang, ge- 
lykende na een zwaart : in 't midden van haar doet zig op een 
regteftam, takagtig, glad en hart, gepoeyert als of het met 
meel of afch bedekt was, dewelke zig zeer ligtelyk los maakt, 



hebbende vier of vyf knobbels of knotten, dewelke iedereen 
blad voortbrengen, dogkleinder als die van beneden, nog ook 
zoo groot niet, na mate dat ze na boven naderen, omvattende 
haar ftam zonder fteel. In het begin van de Lente komen de 
bloeizels als zekere opgerolde vliezen, zy zyn als van een en- 
keld ftuk, en verdeeld in zes deelen, met een zuiltje, voorzien 
met drie bladeren. Haar kelk verandert in een Vrugt , die 
langwerpig rond en driehoekig is, onderfcheide door drie ka- 
mertjes, waar in opgefloten zyn eenige platte zaatjes, leggen- 
de d'eene boven op de andere. 



XXXVI 




XXXVII 




XXXVIII 





XXXIX 



EUROPISCME insecten. 



i 9 



x x x v i. 



Breêwegbkden, 



Tlantagö major. 



DEze Bladeren zyn het voedzel van een groene Rups die zeer traag in 't gaan is, ik heb ze met 
dit Kruit gevoed tot in Augufti, wanneer ze veranderde in een bruine Pop, in December 
kwam daar zulk een bruine Uil uit gelyk onder verheelt is* 



De bladeren van deze Plant zyn lang, breed en hairagtig, 
zynde yder van dezelve gemerkt als met zeven zenewtjes , die 
langs de bladeren heen loopen, alwaar uit onftaat , dat eenige 
Kruidkenners haar noemen Septinervia. Hare bladeren zyn ge- 
hegt aan eenige fteeltjes en op de grond nederleggendc. Tuf- 
fchen haar fchieten op eenige {lammetjes ter hoogte van een 
voet, rond, moeyelyk om te breeken , kaal, dragende aan haar 
topeinden eenige lange aaren , dewelke eenige kleine witagtige 



of purperagtige bloempjes onderfteunen. Yder van deze Bloe- 
men is een pyp van onderen geflooten , en vaasgewys van bo- 
ven j gekarteld in vier gedeeltens, en voorzien van verfcheide 
vezelen. Op deze Bloem volgt een vleesagtige fchil, ey-rond, 
Ipits of hoekig, die zig dwars opend als een Spaans Zeepdoos- 
je, in zig bevattende eenige langwerpige of ey-ronde zaden, 
van een roodagtige koleur. Deze is dezelve Plant, dewelke 
Tournefort beichryft onder de naam van Plantago latifotia finuaU. 



XXX 



I I. 



Roode Aalbeffen. 



Grojfulana Hortenfis , majore Truftu ruhro. 



Eebruari 



Ulke graauwe Rupfen heb ik op deze Boompjes gevonden, en met de bladeren gevoed tot ia 
begin van December, doe veranderde ze in een Kaftanjebruine Pop, des volgende Jaarsira 
i kwam daar een fchoon wit en fwart geftreept Uiltjen uit, 't welk groene eiertjes leide. 



E % 



20 



E U R O P I S C H E INSECTEN, 



XXXVIII. 



Fenkel. 



Tceniculum Hortènfa. 



OP dit Gewas vint men een fchoone Rups, welkers geheele lyf groen is, met fwarte banden, 
gelyk Fluweel, daar op Oranjekoleurde (tipjes zyn. Ze geeft een aangenaame reuk vanzig, 
als men ze aanraakt dan fteekt ze aan 't hooft twee Oranjekoleurde hoorntjes op, ze maakte zig 
vaft en veranderde in een groene Pop die allengskens graauw wierd : uit deze Pop is de fchoone Ka- 
pelle, die by de Liefhebbers genaamt word Bafïe la Reine, in April en Mai, ook wel in Decem- 
ber te voorfchyn gekomen , die fchoon geel en met fwart vcrciert is. 



De {lammetjes van deze Plant zyn vy f. of zes voeten hoog i 
regt, hol, vaneen bruine groene koleur, takagtig, vervult 
met een fponsagtige pit. Hare bladeren zyn gehakkeit in lange 
draatjes, van een donker groene koleur, hare topeinden on- 
derfchragen eenige breede Ruikers of Zonncfchermtjes , zyn de 



geel, welriekende, op dewelke eenige bloempjes zyn, na dè 
wyze van een Roos op het topeinde van de Kelk, in 'c gemeen 
van vyf bladeren: na dat de bloem is afgevallen, zoo word de 
kelk eenVrugt van twee langwerpige afgeronde korrels, op haar 
buitenzyde ingegroeft, ivvartagtig, plat aan haar andere kant. 



XXXIX. 



Munt 



Mentha horten/is y verticillatd. 



| Tt Kruit is het voedzel van een fchoone witte groengeflreepte Rups, als men ze aanraakt, dan 
flingert ze het hooft veelmaal heen en weer , ze maakte een dun gefpin en veranderde in een 
bruine Pop. In Augufti kwam daar een bruine, gelyk met goud gezierde Uil uit. 

Ik vond ook zulk een klein geelagtig Rupsje op dit Kruit, deze veranderde van koleur en wierd 
Roozenroot, maar ze ftierf. 

In 't Jaar zeventien hondert vond ik in Suriname diergelyke Rupfen op een Kruit genaamt Cal- 
lelouy zynde in 't gebruik gelyk hier de Spenagie. Den agt-tienden Maart veranderde ze in Popjes, 
den zes en twintigften dito kwamen daar uit houtvervige Uiltjes , gelyk boven verbeelt is. 



Deze Plant doet zyn ftammetje uitfehieten tot de hoogte van 
drie voeten , takagtig en roodagtig. Haar bladeren zyn lang- 
werpig, bynarond, redelyk breed , fpits en rondom haare kan- 
ten gekartek, en een weinig hairagtig. Hare bloemen zyn als een 
mond , en langs de takken na boven gefchaart met aaren. Deze 
bloemen worden onderfteunt door kelken , gefchikt als hoor- 



nen, aan hare kanten gekartelt. Na dat zy afgevallen zyn, zoo 
volgt aan een yder daar op vier kleine zaden , opgefloten in de 
kelk van haar bloem. De reuk van deze plant is lieflyk , bal- 
femagtig en geurig. Johannes Bauhinus noemt ze Mentba ver- 
ticilkta, minor, acuta, non crifpa, Ocymi edore. 




XL 




XLI 



XLII 





EUROPISCHE INSECTEN. 



21 



X L. 



Ridderfpoor. 



Confolida , regalis , horten/is. 



OP dit Bloemgewas vint men een Rups , die fchoon van koleur , $ierlyk geftreept en geftippelc 
is, maar ze is zeer" traag in 't gaan. Ik heb ze gevoed tot in 't laatft van Juli, doe veran- 
derde ze in bruine Popjes, 't volgende Jaar in Mai kwamen daar uit zulke fchoone Roozenroode, 
wit en fwart gecierde Uiltjes, die zeer traag in 't vliegen zyn. 



De bladeren van deze Plant zyn gekarteld in lange deelen , 
(zeer diep ingefneden) en byna even dun als de bladeren van de 
Venkel; zy heeft aan haar uiterfte toppen bloemen inordre ge- 
fchikt na de wyze van aaren, en yder van deze bloemen is fa- 
mengefteld uit verfcheide ongelyke bladeren , van dewelke vyf 
grooter zyn als de andere, en in de rondte gefchaart. De bo- 
venfte itrekt zig uit over de benedenfte, op een wyze als een 



fpits hoorntje, verbeeldende een Spoor é en zyontfangt in deze 
Spoor de Spoor van een ander blad. De Vrugt is te iamen ge- 
ftelt uit drie fwartagtige korrels, in zig bevattende eemge 
IwMrte en hoekige Zaden. Pit. Tournefort noemt deze Plant 
Ddphinium hortenfe , flore major e , fimplki 9 ex ceeruleo , pur pur co. 
Dodoneus Flos Kegius. 



X L L 



Melden. 



Amplex fyheftris. 



OP de fteel van een blad vertoont zig een overentftaande Rupsje , in diervoegen weten ze van 
het eene blad op het ander te komen , als zy 't maar bereiken konnen , haar koleur is bleek- 
groen , onder myn bewaring veranderde ze in Augufti in een bruin Popje. In het volgende Jaar 
kwam daar een Kapelletje uit, van koleur gelyk een verwelkt blad. 

Diergelyke Wormpjes vint men op alderlei gewas dat veelLuisjes heeft, die gebruiken ze tot ha- 
re fpyze. De Wormpjes leggen maar ftil, wanneer de Luisjes rontom hen lopen, die zy dan met 
haar fnuitje weten te vatten, en al het vogt uitzuigen, en laten het ledige vel leggen. Ze veran- 
deren in bruine Tonnetjes, en daar uit komen zulke Vliegen , gelyk in de Figuur verheelt is. 



Het {lammetje van deze Plant groeit ter hoogte van cên voet, 
rèdelyk dik, regt, takagtig, hebbende lange, ipitfe en hblhoe- 
kige bladeren. Hare bloemen komen voort als boffen of als 
aaren ; yder van haar is voorzien met vyf of zes rootagtige ve- 
zelen, önderfteunt door een kelk, ingelneden tot aan de grond 
toe : haar zaad is dun, byna rond en plat , omvat in een doosje 
gelyk als geftarnt, dewelke aan de bloem tot een kelkje verftrekt 
heeft. Op dezelve Plant van de Melde vind men nog een an- 
dere foort van Vrugt, die niet voorafgegaan is door eenig 
bloeizel. Deze Vrugt is t'eenemaal plat , en gemeenlyk afge- 
rond, rondom afgefneden en te famen gefteld uit twee bladeren, 
zynde de cene geplaatft boven den anderen met kleine bochels : 



zy bevatten in haar vouwen een plat en byna rond Zaad. Deze 
Plant fchynt dezelve te zyn, dewelke Morifon belchryft onder 
de naam van Atriplex fyhefiris , annua , folio deitoide , triangularis 3 
finuato & mucronato , hafta cufpidi fimüi > en Raii onder die van 
Atriplex fyhefiris folio baftatoftve Deitoide. De befchryvingevan 
deze laatfte Auteur is goed. Daar is veel waarlchynlykheid dat 
dit is het foort, 't welk Dodoneus noemt Atriplex fyhéflris. 
Wy hebben geen foort van ds Melde, die meer eigenichap 
heeft met die in de tuinen wallen als deze. Cafparus Bauhinus 
heeft geen reden gehad van die te voegen by de Cyncrambe van 
Cefalpinus, dewelke die aangenomen heeft voor een Plant die 
niet en bloeide. 



21 



EUROPISCHE INSECTEN. 



X L I L 



Swarte Populier. 



Populus nigra. 



>P deze Boom groeijen veeltyds ronde knobbels, als men ze onryp opent dan zyn 'ze ledig, 
' maar ryp zynde openen ze zig zelf, en vertoonen ons zesderlei differente Diertjes, waarvan 
'er twee konnen vliegen , en fteeken gelyk de Muggen j dog het eene is wat kleinder als het ande- 
re: de andere vier zyn kruipende Beesjes, mede van malkander verfchillende, zo in gedaante als 
groote , de geftalte van het kleinfte kan men niet wel bekennen als door een vergrootglas. By 
deze vier Diertjes legt een druppel taay Water, van groote als een witte Erret, het grootfte van 
deze vier Diertjes eet de andere drie op; als dit zyn voedzel geconfumeert is, dan verandert het in 
een blaas , na twaalf dagen komt daar een wilde Bye uit , gelyk in de figuur verheelt is. 



Deze Boom doet in den beginne van de Lente uitfehieten 
kleine knopjes of beginfeis van bladeren, omtrent zo groot als 
kappertjes, ipits, langwerpig, vaneen geelagtige groene ko- 
leur. Dit is 't geen men in 't Latyn noemt Gemm<z feu oculi 
Populi nigri , en in 't Franfch leux de Peuplier. Deze knoppen 
of fpruitjes verfpreiden zig uit in breede bladeren, fpits, gelyk 
als de eerfte bladeren van de Klimop , wat dunder , rondom een 
weinig gekarteld , effen, glad , vaftgehegt aan dunne en lange 



fteelrjes. Deze Boom is onvrugtbaar of mannelyk , en brengt 
niet voort als bloeifels zonder Vrugt , of vrugtbaar of vrou- 
welyk, en brengt Vrugten zonder bloeifel. De Vrugten van 
de fwarte vrouwelyke Populierboom zynalsvliesagtige doosjes, 
langwerpig, groen, gefchaart aan trollen : ryp wordende ope- 
nen zy zig in twee kromme of omgeboge deelen, in zig be- 
vattende eenige zaaden, voorzien als met eenige vedertjes. 



X L I I I. 



Lattouwbloeizeï. 



LaBuca capitata^ florens. 



DEze Rups graauw zynde, meteen donkere ftreep over de rug, ftroopte haar vel af, en ver- 
wiiTelde haar koleur in donker bruin, ik heb ze met Lattouw gevoed tot in 't laatfte van 
Augufti, doe veranderde ze in een bruine Pop, in September kwam daar een Uil uit, welkers bo- 
venzie vleugels bruin , en de onderfte met het lyf biaauwagtig waren. 



De bladeren van deze Pïant zyn groot, geplooit, witagtig, 
doordrongen met een tnelkagtig zap. Hare ftam opgegroeit 
zynde, verdeeld zig in veel takken, voortbrengende aan hare 
topenden kleine geele bloempjes , die ruikers worden , als een 



half lofwerk, onderfteund door een langwerpige dunne kelk ,' 
te (amen gefield van fchobagtige bladeren. Op deze bloemen 
volgen langwerpige zaaden , van beide de einden fpits, vaneen 
afchverwige koleur, voorzien met een foort van vedertjes. 




XLIV 



XLV 




XLVI 



XLVH 





EUR O PISCHE INSECTEN. 23 

X L I V. 

Kleine Brandenetelen. 'Vrüca mens \ minor. 

ZUlk een geele, fwartgeitreepte Rups heb ik met dit Kruit gevoed töt in Juni, doe veranderde 
ze in een Pop, na veertien dagen kwam daar een Kapelletje uit, die onder bruin, en boven 
donker Uranjekoleur met fwarte plekken en ftreepen geciert was. Als deze Rups in September ver- 
andert, dan blyft de Pop zo vaftgemaakt zynde , tot in 't Voorjaar , alsdan komt daar eerlt de 
Kapelle uit. De Pop gelykt zeer wel na een gebakert kindeken ; eenige ichynen ais vergulr, uit 
zommige komen Maaden te voorfchyn,die veranderen in Tonnetjes, en daar komt dan uit elk een 
goutagtig Vliegjen, ik heb ook wel in den drek van deze Rupfen Maaden gevonden, die mede in 
Tonnetjes veranderden, waar uit na veertien dagen Vliegen té voorfchyn kwamen* 



X L V. 

Koolbloeizel. Flos bras/tca viridis. 

Dit zoort van geele Rupfen , groen en fwart gcftippelt zynde , geneert zig op de Kool , die zy 
zomtyts zo kaal afeeten , dat niets overblytt als de fteelen der bladeren. Als ze vroeg in 't 
jaar veranderen, dan komen daarin veertien dagen Kapellen uit, die men in 't gemeen Witjes 
noemt, maar als ze laat veranderen, dan blyft de Pop den geheelen Winter over; en komen eerft 
in Mai uit. Ik heb deze Rupfen gevoed, en bevonden dat zig eenige ncêrlyden of ze dood waren, 
doe kropen daar een' meenigte Maaden uit haar lyf, die in Tonnetjes veranderden, dan fpon de 
zelfde Kups ze alle aan malkander, en ftierfj maar de Tonnetjes leverden na twaalf dagen elk een 
Vliegjen uit. 



«2Sïr n TJ^T * V l Ia ," g ' ï? Cen / ooda gpS c k°*t voort een kuiltje, 't geen eindelyk word als een lange 
Sd L ' S ehc k g taa " la »ge fteelen dik, reeder, gekar Kulrugt, Sm\, langwerpig rond, {pits, vervult van byna 

bfeS^ - d e zaden, af.eichldent tweede, 



bladeren, kruiswys gefchaart, wit van koleur. Uit de kelk 



F % 



14 EUROP1SCHE INSECTEN. 

X L V I. 
Muskusbloem. Jacea mofchata^ pttrpurea. 

OP deze Bloem heb ik zulk een hairige bruine Rups gevonden, ze eet ook ander Bloemgewas 
meer. Zy maakte van haar eige hair een gefpin , en veranderde in een fwartePop, en bleef 
zo de Winter over. Des volgenden Jaars in Maart kwam daar een wit , met fwarte ftreepen en 
vlakjes gecjert Uiltjen uit, gelyk by de Figuur verheelt is. 



De eerfte bladeren van deze Plant gelyken na die van de Si- breken, en sagthairig. Hare bloemen zyn gehegt door Rui- 

chorie , alias Suikerei , want deze zyn een weinig doorfneden , kers op fchobagtige hoofden , van een purperagtige koleur. Op 

maar gene die gehegt zyn aan hare itaammetjes, zyn fmal,ftyf, de Bloem volgen eenige bruine Zaden, beladen met eenige 

en een weinig hard. De {lammetjes zyn hol, befwaarlyk om te hairagtige vedertjes. 



x l v i i; 

Pruimend Fruiïus Prmomm. 

, Eze Boom geeft het voedzel aan een fchoone geele geborftelde Rups , met een roode punt ag- 
' ter op de ftaart , wanneer ze zig uitrekt dan vertoonen zig vier fwarte als Fluweele ftreepen 
dwars over 't lyf : ik heb ze gevoed tot in 't laatfte van Augufti , doe maakten ze een wit bordig 
gefpin , en veranderden in Popjes , uit zommige kwamen in September , en andere des volgenden 
Jaars in April graauwe Uiltjes uit, die ook graauwe eiertjes leiden. 



D 




XLVJIl 




XLIX 




EURQPISCHE INSECTEN. 



2 5 



X L V I I I. 



Malva. 



Malva 3 folio h&deraceo. 



Dit Bloemgewas is het voedzel van een dikke bruine Rups , wanneer ze veranderen dan rollen 
ze een blad in malkander en maaken een blaauwe Pop. Zommige hebben my nog in No- 
vember Kapellen uitgelevert , die van eengroen gemengelde koleur waren , zy bleven 
wel in haar blad tot des volgenden jaars in Januari, als wanneer daar diergelyke Kapellen uit kwa- 
men , gelyk gezegt is. 



Deze Plant brengt voort (lammetjes van anderhalf voet lang, 
rond, redelyk dik, takagtig, hairagtig, fomtyds roodagtig, 
en breiden zig voor 't meelte gedeelte uit langs de grond. 
Hare bladeren gelyken na die van 'de Klimop. Hare bloemen 
zyn klokswyze geformeert, yder tot aan de beneden kant toe, in 
vyfdeelen gekartek, onderfteunt door lange, teedere en hair- 
agtige zuiltjes. Deze bloem is befloten in een dubbelde kelk, 
hebbende de eerfte drie infnydingen en de tweede vyf. Daar 
klimt uit de kelk een ftylrjc, valtgehegt aan de benedenite kant 



van de bloem, waar uit voortkomt een platte, ronde en fom- 
tyds fpitfe Vrugt, gelykende na een kleine navel. Het befluiv 
in zig eenige dunne zaden, dewelke de gedaante hebben van 
een klein Niertje. Cefalpin heeft het merkteken van deMah'a 
volmaaktelyk wel gekent, aangezien hy zegt dat haar bloemen 
als een bekke zyn, dat haar vrugt is l'amengertelt uit veele doos- 
jes, gefchaart rondom als om een Aas of'Afch, dewelke yder 
in zig bevatten een Zaad. 



X L I X. 



Angelier. 



Caryofhillus purpurem. 



DEze zoort van Rupfen vint men des daags onder de Aarde, en des nagts komen ze uit, zy 
eeten alderlei Kruiden, dog voornamelyk de Angelier; ze zyn van onderen Ügtgeel en van 
boven bruin. Zy veranderen in 't laatfte van Augufti in Popjes , na veertien dagen komen daar 
uiltjes uit , gelyk boven op de Bloem verheelt is. 

Eenige dezer Rupfen ftil leggende, kropen daar Maden uit, die in Tonnetjes veranderden. Na 
veertien dagen kwamen daar groote blaauwe Vliegen uit. 



Uit de wortel van deze Plant fchieten eenige fmalle , lange , 
harde, dikke, groene, ongekartelde bladeren ,gehegt by paren 
rondom de ftam. Uit het midden van haar verheffen zig veel 
fiammetjes vaneen verfcheide hoogte, zynde ronde, harde en 
effen, dragende in hare uiterfte toppunten eenige bloemen, de- 
welke yder hare bladeren hebben, in de rondte gefchaart, zyn- 



de beneden fmal en boven breed, onderfteunt door een kelk, 
dewelke is een vliesagtige en langwerpige buys of pyp, daaruit 
voortgroeit een gedeelte van de bloem , dewelke in 't vervolg 
een rond langwerpige vrugt word, omflingert van zyn kelk s 
fig openende door de punt , vervult met platte en als geblaadde 
zaden. 



i6 



EUROPISCHE INSECTEN. 



L. 



Eike Boom. 



Quercus 3 cum Fmtfa. 



DEze Rupfen waren groen en geel geftreept, haar vel afgeftroopt hebbende , wierden ze uit den, 
bruine, en doe ze grooter zynde nog eens vervelt hadden wierden ze donker root. Ik heb 
ze met deze bladeren gevoed tot in September, doe veranderden ze in bruine Poppen j in Decem- 
ber kwamen daar bruine, geele en witgeplekte Uiltjes uit. 

Op een der bladeren vertoont zig een ronde knobbel , 't welk een foort van Galnooten is. Deze 
in Schwalbach in 't jaar 1684. in Juli, in tegenwoordigheid van eenige Medicina? Doótoren geopent 
hebbende, vonden wy regt in 't midden een hol, daar in een klein rond zaatjen lag; na twaalf da- 
gen hervatten wy deze obfervatie weer, en eenige geopent hebbende, vonden wy in elk een Galnoot 
twee holtens gelyk een klokhuis in een Appel , in elke holte lag een wit Wormpje , maar terwyl 
myn gelegentheid vereifte om van daar te reizen, konde ik hier in geen verder onderzoek doen, 
hatende de red voor andere Liefhebbers. 



Deze Boom is regt en dik , verfpreidende hare takken uitter- 
maten in de breedte. Haar ftam is overtrokken met een ruwe 
ongelyke fchorfe, zynde als gekerft , roodagtig en dik. Hare 
bladeren zyn langwerpig, breed, zeer diep als groote tanden 
ingefneden, of als diepgaande golven vaftgehegt aan korte 
ftaarten. Haare bloemen zyn als langhangende groene ftaartjes 
te famen geftelt uit kleine kluwentjes, die gehegt zyn rondom 
een dun ftammetje ; deze langhangende groene Haartjes la- 
ten na haar geen vrugt. De Vrugten komen te voorfchyn 
ontrent plaatfen die van de bloem afgefcheiden zyn , en zyn te 
famengeftelt uit drie buizen. Zygroeijenin een kelk, te famen 
geftelt uit kleine hoekagtige bladeren. Hare Vrugten worden 
Akers genaamt : zy zyn van de dikte der Olyven ey of langwer- 
pig rond, zynde door het einde, die aan de boom vafthoud, 
ingefchoten, yder befloten in een harde, en gryze kelk, 't geen 
men in het Latyn Calyx oïCupula noemt, ter oorzake dat ze na 
een kleine beker gelykt. Deze Aker heeft een fchorfe zoo hard 
als leer, blinkende, glad, groen in den beginne, maar die na- 



derhand ryp wordende, geelagtig word. Onder deze fchorfe 
word men gewaar een foort van een Amandel of van een hard 
zaat, te famen geftelt uit twee quabben. Deze Vrugten zyn aan 
de boom vaft of door lange of korte en dunne fteeltjes.Deze Boom, 
waar van men hier de befchryvinge en de gedaante ziet, is de 
Quercus htifolia mas , qua brevi pediculo efi , van Cafparus Bauhi- 
nus, of de Quercus vulgaris brevibus pediculis van Johannes Bau- 
hinus. Het is zeer befwaarlyk ontrent dit foort met waarheid 
te kunnen betuigen , of de verfcheidentheden, dewelke men 
bevind, veranderlykheden zyn die uit dezelve Vrugt voortgroei- 
jen. Om daar over een befliffend befluit te maken, zoo moeftc 
men voor eerft zorg dragen, gelyk als de Heer Tournefort in 
zyn Hiftorie van de Planten , dewelke ontrent Parys groeijen , zegt 
uit te kiezen de vrugten van deze Boomen, die op zig zelvenin 
verfcheide Landftreeken te zaaijen, en na veele jaaren naauw- 
keurig waar te nemen of zy geftadiglyfc dezelve foorten voort- 
brengen , dan of 'er verfchillende zyn voor den dag gekomen. 





. IJarU Szh-l/.i . 'Jcrlzn/czJ^cü 



UI 




lui 




EUROPISCHE INSECTEN, 



L I. 



Blaauwe Viole. 



Viola MartU 3 purpurea. 



DE Honigbye heeft haar oorfprong uit een ftilleggend witagtig Wormken, gelyk onder ter reg- 
terhand verheelt is , en verandert allengskens in de twede geftalt , waar aan zig zes pooten 
vertoonen , en gaat zoo voorts in de derde gedaante , die zig met vlerken en ook bruiner vertoond , 
tot dat ze eindelyk tot zulk een weezen komt, gelyk ze boven de Viole komt aanfnorren. 

Dit Wormken , 't welk aan een fteeltje van een bloemken kruipt , genaamt Zeitelmade , is wit- 
agtig , met een donker roode kop , het voegt zig wel in de Byekorven , en aaft op de Wormkens of 
Popkens daar de Byen uit voortkomen , en veroorzaakt daar door groote fchade aanditgellagt; dog 
als zyne tyd verloopen is maakt hy een wit gefpin, en verandert in een bruin Popken , gelyk zig op 
een blad dezer bloemkens vertoont. Na veertien dagen komt daar een zulk mooy Uiitjeri uitho- 
ven op een dezer bloemkens verbeeld , J t welk na eenige dagen eiertjes legt en fterft. 



Deze Plant is dezelve dewelke Cafparus Bauhinus Viola Mar- 
iia , purpurea , flore (implici noemt. Zy doet uit haar wortel 
voortkomen veel breeder bladeren,- gelykende na die van de 

femeene Malva, bynarond, aan haai e randen tandswyze ge- 
artelt, groen, vaftgthegt aan lange ftaarten. Daar komon 
boven haar dunne (teelt jes, die eenydervan haar onderfchragen 
een zeer aangename Bloem van een ichoone pui pere of blaauwe 
koleur, trekkende uit den bruine, van een foete en aange 
uame reuk. Deze Bloem is te famen gefield uit vyf blade- 



ren , voorzien van een foorte van een fpoor , . of van een 
vliesnet, die onderfteunt worden door een kelk, verdeeld toe 
aan de bcnedenfte voet in vyf gedeehens. Het eyerneft op de' 
bodem van de kelk word, als de bloem afgevallen is , een ke- 
gelswyze Vrugt, beftaande uit driehoeken, dewelke zig opent 
als ze ryp is, op drie plaatfen, en vei Werpen met krast ver- 
fcheide byna ronde zaden, veel klcindcr als die van Conandcr, 
zynde van een witagtige koleur. Haar wortel is vezelagtig. 



L I L 



PeerenblofTenru 



Pyrus forens. 



ZUlk flag van Rupfen vind men veel op Peer-, Appel-, en KarlTeboomen. Haar Iyf is uit den 
fwarte met geelagtige kwasjes bezet, voor hebbende drie klaauwen, in de midden agt ooker- 
geele voeten, en agter nog twee diergelyke: eer ze tot haar verandering komen, vervellenze ver- 
fcheide maaien , maaken dan een wit gelpin , en veranderen in een bruine Pop , na veertien dagen 
komt daar een fchoone Kapelle uit , zynde uit den ligt bruine 3 met veelderlei koleur geflipt en ge- 
ftreept , ook zeer fnel van vlugt. 

In zommige dezer Popjes bevinden zig veel witte Maden , die in Tonnetjes veranderden , na twaalf 
dagen komt uit elk Tonnetje een fchoon groen glanzend Vliegje te voorfchyn, gelyk onder aan 
verbeeld is. 

Aan een fteel kruipt een kleine witte Rups met een fwarte kop, diergelyke vind men ook aan deze 
BloiTem , deze komen des morgens uit haar gefpin om te eeten , dat ze zeer gaauw verregt hebben > 
als dan gaan ze weer in hunne wooning, en fpinnen dezelve altyd grooter. Tot een volkomene 
groote gekomen zynde, maken ze een wit gefpin, veranderen in een Popke, en gevolgelyk in een 
Motuiltje , dat dan , eiertjes gelegt hebbende , fterft. 



Deze Boom is veel hooger en regtcr als de Appelboom. Haar 
hout is geelagtig , hare bladeren zyn vry breed, rond of een 
weinig langwerpig : eindigende in fpitsagtige punten, groen, 
maar witagtig aan het beneden einde. Het einde van het zuil- 
tje eindigt als een langwerpig eyerneft, in het midden hol, 
waar van de bovenfte rand een kroon formeert, verdeek gelyk 
als een kelk, in vyf gedeeltens, Stersgewyze. De bloem heeft 
vyf bladeren , gefchaart als een Roos in de holligheden van 
de kelkj en wat verder twintig draadagtige vezels , dewel- 
ke groeijen uit ds opening van de kelk. Het middelpunt 



van het bovenfte gedeelte van het eyerneft levert uit vyf 
buizen , dewelke eindigen in een ruwe en rondagtige 
punt. Het Eyerneft Word een langwerpige en vleesagtige 
Vrugt, veel fmalder na de fteel als elders, zynde aan het ander 
einde van een navelagtige holligheid voorzien, geformeertdoor 
de infnydingen van de kelk. Daar zyn veelderhande foorten , 
dewelke wegens haar gedaante, haar dikte, haar koleur , haar 
fmaak en haar reuk vedcheiden zyn. Haar vlees is wit : in haar 
binnenfte heeft ze vyf huisjes, vervuld met eenige fwarte kor- 
rels. 



i8 EU ROPISC HE INSECTEN. 

L I I I. 

Bloeyende Tuinkors. Nafturtmm horten Je. 

MEn vind in de maand May op dit Kruid veel kleine Rupfèn , zynde op de rug fwart en onder 
wit, hebbende voor aan yder zy de drie fwarte klaauwtjes, en verder aan weerzyde negen 
pootjes. In Juni maken ze een dun gefpin en veranderen in een bruin Popke; na weinig tyd komt 
daar een bruin gefprikkelt Uiltje uit, zynde gaauw, dog kort van vlugt. 

Onder aan vertoont zig een ookergeele Worm, diergelyke heb ik in verrot hout gevonden ; deze 
veranderen in Popjes: na eenigen tyd komt daar een bruin Torretje uit, hebbende een zwarte kop 
en pootjes. 



Deze Plant brengt veel {lammetjes voort ter hoogte van een de kelk van de bloem groeit een gedeelte van een bloem, die 

voet, zynde vafte, ronde en takagtige ftammetjes. Haare bla- een byna ronde vrugt word, zynde plat en geklooft in haarbo- 

deren zyn langwerpig en zeer diep ingehakkeld. Hare bloemen venfte gedeelte, verdeelt in twee huisjes en vervuld met zaden 

groeijen aan de toppen van de takken , zynde klein, waarvan byna rond en roodagtig. 
yder te famen geftelt is uit vier bladeren kruis wys geichikt. Van 



L I V. 

Gierft-Gras of Zaat-Gras. Gramen Miliaceum. 

Zulk zoort van ligt groene Rupfen, gelyk ter regterhand op een blad opwaarts kruipt, vind 
men op dit Gras: ze heeft voor aan weerzyden drie klaauwtjes, in de midden agt, en agter 
nog twee voetjes ; ze verandert in een groen Popke , waar uit een fchoon geel Kapelletje voort- 
komt, met bruine en fwarte ftipjes en ftreepjes geciert, heeft twe^ wit en fwart gefpikkelde hoorn- 
tjes , fchoone groene oogen , en is fnel van vlugt. 

Aan de andere zyde zit een krom gebogte Rups, deze vond ik op een Berkeboom, ze maakte 
een wit gefpin, veranderde in een ligt bruin Popke, en daar kwam een ligt en bruin gefpikkelt Mot- 
uiltje uit, gelyk boven de Rups verheelt is. 



Deze Plant is dezelve als het Gramen Sylvaticum, panicuU mi- re uiterfte toppen eenige roodagtige doornen, waar aan eenige 

Ikced fparfa van Calparus Bauhinus. Zy klimt wel ter hoogte vezelagtige bloemen vaft zyn, waar van de kelk ichubagtig is : 

van twee voeten. Hare bladeren zyn lang, fmal, fpits, teeder nadat de bloem is afgevallen, zoo komen er eenige langwerpi- 

en groen, Tufïchen haar in klimmen op" eenige buizen of ron- ge en roodagtige korrels te voorfchyn. 
de ftammetjes, omkleed met eenige bladeren, dragende op ha- 



uv 





LV 




LVI 



LVII 




EUR.OPÏSCHE INSECTEN. % 9 

L V. 

Gekrunkelde Patuk. Lapathum acutum. 

OP dit Kruit vind men een foort van Rupfen uit den donker geele, met donker bruine ftreepen 
overkruift , ze is voorzien met zes klaauwtjes , en achter met vier voetjes ; in de Maand Mai 
veranderenze in een bruine Pop , waar uit in Juni zulk een wit bruin geftreept Uiltje voortkomt , ge- 
lyk boven vliegende zig vertoont. 

Ook heb ik met dit zelfde Kruit een zulk klein Rupsje gevoed , gelyk op de andere zydc met een 
kromme bogt voorgebeeld is, ze was eerft donker Papegaygroen geftreept, dog wierd allengskens 
geel en daar na bruin; ze was traag van gang, had voor zes klaauwtjes en achter nog vier voetjes, 
wanneer ze voortging bragt ze de achterfte voetjes by de voorfte : maakende met het lyf een hooge 
bogt , en vorderde dus haar weg : ze veranderde in Mai in een ligt bruin Popje , diens boven end 
had de gedaante van een Vogel kop. Na veertien dagen kwam daar een wit Motuiltje uit, hebbende 
roode oogen , ook een roode ftreep over de vier vlerken , en rondom een roode zoom , zynde mei 
van vlugt* 



HetPatiemiekruidoFde Lapathum met een Xpits blad van met veel hairige vezelen , en een kelk van zes bladeren, waar 

Cafparus Bauhinus is een zeer gemeene Plant, waar van het van 'er drie groot en roodagtig zyn > en de drie andere kleinder 

ftammetje is hoog uitgegroert , hol en roodagtig. Haare blade- en groen. Het gedeelte van de bloem , 't welk in 't midden 

ren zyn een fpan lang, ipits, van een famentrekkende fmaak, van zyn kelk is, alwaar zyn korrel beflotenis, verandert in een 

en een weinigje bitter. De bloemen zyn menigvuldig mosagtig, Vrugt waar in bevat is een driehoekig gely kende na een Nier* 



L V L 

Dubbelde Roos. Rofa CmHfoÜa rubrd. 

DEze fchoone Bloem is het voedfel van eert ligt groene Rups, zynde langs het heele lyf mti 
witte ftreepen, op yder lid met een wit ftipje, en onder nog met een geele ftreep gecierd; ze 
heeft voor zes klaauwtjes, in 't midden acht voetjes, en achter nog twee diergelyke. In de maand 
Juni fpinnen ze zich in het groene Rofenlof, en veranderen in een bruine Pop, in Juli komt daar 
zulk een Uiltje uit, gelyk boven verbeeld is > zynde ligt bruin, dier onderfte vlerken fchuins gezien 
een gulde weerfchyn hebben. 

Nog vind men aan p t groen der Rofenbomen zulk een foort van Wurmen , gelyk boven aan de 
Roofenfteel te zien is. Deze Wurm leeft in de maanden Mai en Juni , hy is van koleur gelyk een 
Made , en met een vleeskoleurde ftreep over den rug gecierd , hy bedient zig ftilleggende ter fpyze 
zulker kleine Vliegjes, die geftadig rondom hem fwerven, dog zo daar een over zyn lyf heenloopt, 
dat hy ze bereiken kan , dan ftoot hy met een bezondere fnelheid een fnuit uit , en maakt dit dier- 
tje tot zyn gevangen, 't welk hy uitzuigt en laat de bolfter dan vallen; eindelyk begeeft hyzig ter 
verandering , en vervormt zig in een klaare bobbel ofte blaaze , na veertien dagen komt daar zulk 
eene Vlieg uit, gelyk op een Rofenknop getoond word, welkers in malkander gerimpelde vlerkjes 
zy met haar voetjes ontrent een halfuur teregt ftrykt, en daar van vliegt , hebbende een geelen 
kop , twee roode oogen , een groen boven- , een geel en fwart onderlyf , en zes geele voetjes , ze is 
zeer langzaam en gemakkelyk te vangen* 

H 



3o EUROPISCH' E' INSECTEN. 

L V ï ï. 

Wilde enkelde Roofeo. Rofd Syheftris major. 

AAn deze Rozen vind men zulke kleine ligtgroene Rupfen, hebbende voor zes klaaüwtjes , en 
achter vier voetjes ; in 't laatft van Juni veranderden ze in bruine Popjes, waar uitna veertien 
dagen zulke ligt bruine Motuikjes te voorfchyn komen , gelyk boven verbeeld is. 

Beneden deze op een groen blad kruipt een kleine groen gefpikkelde Rups, hebbende een fwar- 
te kop ; ze veranderen in 't midden van de maand Mai in ligtbruine Popjes , in 't begin van Juni 
komt daar een Motuiltje uit, zynde de twee bovenfte vlerken en de zes pootjes geel en bruin ge- 
ftreept, de oogjes fwart, en de onderde vlerken graauw. 

Aan de andere zyde hangt meede een groene Ryp , hebbende een fwarte kop , voor zes klaaüwtjes, 
in de midden acht voetjes, en achter noch twee diergelyke. Deze heb ik met zulke enkelde Rozen 
gevoed tot in 't laatft van Mai, wanneer ze zich in malkander gerimpeld had, en ftil lag ; na wei- 
nig dagen kwam daar een witte Made uit, die veranderde in een ligtbruin Tonnetje, gelyk op de 
middelde Roos is aangeweefen. Na twaalf dagen kwam daar uit een klein blaauw Vliegje te voor* 
Ichyn , gelyk mede een weinig hooger verbeeld is. 



z 



L V I I L 
Doove Netelen. Galeoffis florem. 

Ulk een ruige fwarte met geele en witte ftipjes gecierde Rups heb ik eenige tyd met dit Gewas 
gevoed , hebbende voor zes klaaüwtjes , in de midden acht , en achter noch twee voetjes j ze 
was zeer gaauw in 't loopen , in 't begin van Mai wierp ze haar huid af, en veranderde in een brui- 
ne Pop, gelyk onder te zien is; deze bleef onbeweeglyk leggen. In 't begin van Juni kwam daar 
uit een fchoone Kapelle, welkers kop; bovenfte vlerken , pooten en hoorntjes waren fwart, de vler- 
ken met geele plekjes, en de twee onderfte vlerken met het lyf waren als Vermelion ; haar vlugtwas 
fnel , dog meeft tegen den avond. 

Dit kleine Rupsje , zynde langs de rug groen en onder wit, geneert zig meede op dit Kruid. In 
Juni maakt het een wit gefpin en verandert in een Tonnetje. Na twaalf dagen komt daar uit een 
geele fwart geft reepte Vlieg te voorfchyn. 



Deze Plant is dezelve , dewelke Johannes Bauhinus noemt wervelbeenswyze geformeert, zynde geel, en gemaakt als cea 

Urtiea iners, fiere luteo, en Cafparus Bauhinus, Lamüm folio oh- ftnocl : yder van haar is een buis van boven ingefneden lipswyze. 

lonzoyluteum. Zy doet üit haar voortkomen verfcheide roode Wanneer de bloem vergaan is komen 'er vier langwerpige zaden 

en vierkante '{lammetjes, dragende eenige bladeren die in ge- te voorfchyn, befloten in een doosje, 't welk daar voor zoo 

daante de Malruvie vry nakomen , zynde hairagtig , zagt, dienftig is geweeft als de kelk voor de bloem. Dit doosje is 

tandswyze gekartelt , gefchaart by paaren, vaftgehegt door gemaakt als een tregter , geklooft in vyf punten. Dit is wel 

ftaarten, die in deze beneden veel langer zyn als in de geeneom de voornaamfte reden waarom de Heer Tournefort de foorten 

hoog. Haare bloemen zyn langs de tamelyk groote ftammetjes van doove Netels van de fwarte Malruvie onderfcheid. 




LVIII 




IvIX 



LX 





XXI 



EUROPISCHE INSECTEN, 



L I & 



Oker Noten BlofTem. 



iJuxj'ugians floreni. 



P\Eze fchoone groene Rups, die langs het heele lyf met witte ftreepen en op yder Ut met witte 
•■-^ flippen geciert is, vind men op de iSooteboom, dog zeer zelden, tans heb ik ze gevonden 
en gevoed tot in 't begin van Juni, wanneer ze zig in de groene bladeren rolde , een dun wie gefpin 
maakte, en veranderde in een bruine Pop: binnen drie weeken kwam daar een Uiltje uit, Welkers^ 
bovenfte vlerken , pooten en hoorntjes waren bruin , de vlerken met witte ftreepjes gecierd , het lyf 
was ligter, de oogjes fwart, en de onderde vlerken gelyk goud weerichynend , haar vlugt was des 
avonds, gelyk alle Uiltjes gemeenlyk doem 



Deze is een grooteBoom ,zeer tackagtig, makende een grooté 
fchaduwe. Hare bladeren zyn breed, groot , zenuwagtig en groen. 
Haare groene of buitenfte fchil is lang , hangende , van geftake en 
dikte van de Kuipen, te famen gefteld uit verfcheide bladeren, 
fchubswyze gefchaart terlangtevan een priem, en van eengeele 
koleur. Hec onderfte van deze bladeren is overdekt met ver- 
fcheide kruintjes , gemeenlyk vaftgehegt door korte hairige ve- 
zeltjes, zoo zeer dat men moeite heeft om ze gewaar te worden- 
Hare V rugten groeijen op dezelve voet die de Noten voort- 
brengen, dewelke men in 't Latyn Nuces noemt. Zy zyn yder 
overdekt met een groene en vleesagtige fchorfle, onder dewel- 



ke gevonden word een harde fchaal, zynde houtagtig, eyrond, 
of byna rond, 't welk men noemt een Notedop, en dewelke in 
zig befluit een foort van een Amandel , verdesld in twee of vier 
deelen, zynde mergagiig, vleezig en wit, gely kende in eenig 
opzigt na kleine deyeijes, op een ongemeenewy ze overtrokken 
met een dun en fyn vlies, dewelke daar als tegen aan valt is; 
maar die 'er zeer ligtelyk van afgefcheiden word Deze kleine 
leden van de Note worden gefcheiden door een hard en hout- 
agtig affchutfel j 't welk men het naiddelfchöt noemt. Het 
hout van de Noteboom is hard , digt , gevlamt op verfcheide 
plaatfen, en overdekt met een dikke en afchverwige fchorfTe; 



L 



Purpere Nachtveil. 



Viola matrörtalis piïrpiïred. 



MEn vind aan dit BlöemgeWaè één foört van lange dunne Rupsjes , hebbende voor zes klaauw- 
tjes en achter ook zes voetjes ; wanneer ze voort willen dan zetten ze het agterfte lyf by 
het voorfte, makende aldus met het lyf een hooge bogt, 't welk om de langte hares lichaams een 
raar figuur maakt, en gevolgelyk een wyde ftap doen: ze veranderen in de Mai in eengroen Popjes 
in Juni komt daar een fchoon Kapelletje uit , zynde de kop en bovenfte vlerken fchoon geel en 
bruin gefigureert, het lyf, de onderfte vlerken, de hoorntjes en pootjes bleekgeel, de oogen fwart* 
en gaauw in 't vliegen, gelyk ter rechterhand vertoont word. 

Ter linkerhand bevind zig een groene Rups met een geele kop, ze heeft Voor zes klaauwtjes , in 
de midden acht voetjes, en achter hog twee diergelyke; in 't laaft vart April maken ze een geel 
gefpin, en veranderen itl een groen iwart geftippelt Popje, in 't midden van Mai komt daar een 
klein wit Kapelletje uit , haar vlugt is gering , zoo dat ze naauwlyks van de eene Bloem op de an- 
dere konnen komen. 



De Violier of de Viola MatrondHs purpurea van Tabernemon- 
tanvs is dezelve Plant, dewelke Cafparus Bauhinus, en na hem 
Raii , Tournefort , en de Heer Boerhaave He/p ris honenfis, flore 
furpureo noemen. Zy doet voortkomen {lammetjes ter hoogte 
van twee voeten , zynde hairagtig, rond, en met merg opge- 
vult. Haare bladeren zyn gefchaart langs de {lammetjes by 
beurtverwifleling, gelykende na die van het Rakettekruid,dog 
minder ingefneden, tandswyze aan haar randen gekartelt, hair- 



agtig èri fpits. De bloemen komen té voorfchyn aan detoppun- 
ten van kleine takjes, dewelke uit de holligheden van de blade- 
ren vóortfpruiten. Wegens haar gedaante gelyken ze na dié 
van de ISlageiboom, hebbende vier bladdragende {leeitjes , die 
kruiswyze geirhaart zyn. Daar op volgen lange, dunne, 
rond- langwerpige peulen, gefcheiden in twee kamertjes, de- 
welke in zig befluiten eenige langwerpige of ronde zaden. Hare 
wortels zyn houtagtig, klein en wie. 

H % 



3 i EUROPISC HE INSECTEN. 

L X I. 
Koren Rozen 3 Negelblom en Koorn Air. Lycbnis , Segetum & Siligo. 

OP deze Bloem , waffende in 't Koorn , heb ik zulk een Rups gevonden , gelyk aan de fteel 
kruipt; na dat ik ze gevoed heb, tot in 't begin van Juni , ftroopte ze haar huid af, en veran- 
derde in een bruine Pop, bleef alzoo hard en onbeweeglyk leggen tot in December , wanneer zulk 
een Vlieo- te voorfchyn kwam , gelyk boven op de Bloem verbeeld is ; zynde geheel fwart , behalven 
in 't midden des achterlyfs was iets geel , hebbende vier klaar doorfchynende vlerken. 

Dit Beesje , onder aan de fteel des Koornairs kruipende , heb ik gevoed tot in 't midden van Ju- 
ni, toen kroop het tuflchen het Koorn in de Air, en veranderde in een fwart root geflipt Popje. 
In 't midden van Augufti kwam daar zulk een Torretje uit , tans by onze jeugd bekend met de 
mam van Lieven Heers Haantje. 

Tuffchen beiden legt een witte Made, hebbende langs den rug een roodagtige ftreep, zulker heb 
ik wel vyftig in een doode Muis gevonden en bewaard; na weinig tyds veranderden ze in Tonnetjes, 
na acht dagen kwam uit elk zulk een Vlieg te voorfchyn , gelyk onder op een groen blad zittende 
verbeeld is , hebbende een blaauw met fwart geftreept lyf, roode oogen , fwarte pooten , en twee 
vlerken, die koleurde weerfchyn van zig geven. 

De Lichnis Segetum, ruhra, foliis perfoliata van Cafparus Bau- heeft en is niet al te wel. Daar zyn in de Hijlorie van de Plan- 

hi'ius, is dezelve Plant , dewelke Tabcrnemontanus Myagrum ten van Lion drie afbeeldzels van deze Plant ; maar men ziet 

f'Vcraria quorundam noemt. Zy brengt voort verfcheyde ronde genoegzaam datze niet anders vertoonen als dezelve Plant, Ce- 

takaetife regte (lammetjes met een zagtwolligCatoen overdekt. falpinus heeft 'er ook op drie verfcheide plaatten van gefproken, 

Hia* bladeren zyn drie vingerbreed lang, een en een Inlf te weren in het Hoofdftuk van de Glaftum, alwaar hy die ge- 

breed, vol, (bits, wolagtig, pittig en wit. De kelk is geheel, noemt heeft Glaftum fponte Oriens inter Segetes, en in dat van de 

gehairt, op de wyze van een buis , geracenlyk uirgegróeft, Rnpum Sylvftre, alwaar hy gelooft dat deze is de Plant dewel- 

iomtyts uitgebreide, hebbende een enge opening. De Bloemen ke Dioicondes onder deze naam befchreven heeft, 
groeiien aan de toppunten van de (lammetjes , geforraeert als De Segetum ofSiligo is dezelve Plant dewelke Ran Tnticum Spie* 

?en Anoelier, hebbende vyf bladeren, zyndc meer als de helft mutic* noemt, en Cafparus Bauhinus jenPit-TournefortTritó;»/» 

voorzien met twee of drie punten , dewelke gevoegt by die van Hybernium , ariftis carens en Johannes Bauhinus Triticum vulgare, 

de andere bladeren een Kroon formseren. De Kroon heeft in Glumas triturando deponens. Zy brengt verfcheide buizen van vyf 

het' midden van deze Bloem een zeer verfcheidene coleur. De voeten hoog, zynde regt, en by tuflchen ruimten door knob- 

Vruet is van een kecelswyze geftalte, omwonden van zyn kelk, bels bezet, van binnen hol, voorzien met cenige lange fmalle 

en opent zigby zyn punt. Zy is te zamengefteld' van drie of bladeren , gelyk als die van het Hond-Gras, en (pits in haartop- 

meer buizen. Zy bevat in zig eenige byna ronde en hoekagtige punten met lange airen ; waar aan groeijen eemge bloemen by 

zaden of na de gedaante van een nier. Cordus heeft daar van kleene halfflagtige trosjes , zonder bladeren , te zamen geftelt 

de bloemen zeer wel befchreven : aangezien dezelve zyn te za- door cenige maniyke hairagtige vezelen , dewelke voortkomen 

m-n geitel uit vyf bladeren, gelyk als deze Schryver het heeft uyt een kelk , bellaande uit verfcheide fchubben j na dat de 

aangemerkt Ondertuflchen heeft hv ze alle afgebeeld onder de bloem is afgevallen, zoo fchynt het op de rug een langwerpige 

gedaante van een (luk : Zy zyn ontworpen of afgefchetft met en gerondde korrel, ende gevorent aan de andere kant, en van 

vier bladeren in een gedaante waar van Dodoneus en Lobel zig binnen meelagtig en wit, 
hebben bediend : die , dewelke Tragus van deze Plant gegeven 

L X I L 

Vlierboom. Samhucus cumflore albo. 

TEr linker zyde onder op een groen blad vertoont zig een ligt geele Rups, hebbende twee fwar* 
te ftreepen dwars over 't lyf , achterwaars nog drie lwarte ftreepen langs 't lyf, een fwart gebit, 
voor zes klaawtjes, en in 't midden acht voeten : haar voedzel is de groene bladeren dezes Booms, 
liaare volkomene groote bereikt hebbende , maken ze een wit gefpin en veranderen in een ligt bruine 
Pop , welke aangeraakt zynde zig fterk bewegen: eindelyk komt daar een wit bruin geftreept Uiltje 
uit, gelyk boven vliegende is verbeeld. 

Onder ter rechter zyde zit meede op een blad een bruin Rupsje, heeft aan elk lit witte voetjes, 
deze eeten beide het blad en de Bloem dezes Booms, men vind ze ook wel op de Queeboomen , in 
de Mai maken ze een glanzend wit- gefpin , en veranderen in een Popje : na veertien dagen komt 
daar zulk een fwarte Vlieg uit , gelyk boven malkander word vertoond. ( 

Op de Bloem kruipt een groen wit geftreept Rupsje, welkers fpyze mede deze Bloem is., ze zyn 
zeer gaauw: wanneer ze haar vel afftroopen zyn ze vleeskoleur. ïn Augufti maken ze een wit ge- 
fpin , en veranderen in een bruin Tonnetje , blyven in deze geftalte tot des volgenden jaars. In Juli 
dan komt daar een fwarte Vlieg uit met roode oogen, gelyk ter linker zyde by malkander verbeeld is. 

Deze is een Boom van een middelmatige dikte en hoogte, die breede is , waar aengehegt zyn kleene bloemen , geformeert als 
haare takken in de breedte verfpreid»fomtyds is heteen Boompje hoedt jesofroosjesop vyf plaatfen,zyndc wit. Daar op volgen dikke 
waar van de takken lang en rond zyn opgevuld met veel wit beflen gelyk als die van de Geneverboom, ronde, groene in het he- 
men? en hebbende hef hout een weinig dik, zynde de takken gin; maar ryp zynde, worden zy zwart, vervult met een hoogrood 
in den beginne groen en in 't vervolg grys. Zyn (lam is over- fap, en bevatten in zig drie kleene langwerpige zaden. De lage 
trokken met een ruwe en gekloofde fchorfe van een asagtigeko- Vlierboom of de wilde Vherboom van de : Pinax van Cafparus 
leur de baft van de takken is zagtcr in het aanraken. Onder Bauhinus , genaamt Sambucm bumüu of Ebulus , vertehilt van 
deze uitterlyke baft vind men een die groen is. Zyn houdt is de Vlierboom, waar van ik nu fpreeke, door zyn ftam die met 
hardt en geelagtig , maar gemakkelyk om te klooven. Vyf of groente of kruidig gras omzet is , in plaats dat de ftatnmen van 
zes bladeren yari haar zyn langs de eene zyde vaft gehegt gelyk de andere zyn van een Boompje, onderfchdden door de bladc- 
i ,h die van de Noreboofn 5 maar veel kleender gekarteld aan ha- ren, dewelke veel fmalder, veel langer en van een fterker reuk 
re randen. Hare takken on Jerfchragen eenZonnefcherm,die wyd en zyn. 



I^XII 



ivxrn 





LXIV 



LXV 








EUROPISCHE INSECTEN. 



SS 



L X I I I. 



Groote Klitzen. 



Lappa major. 



Nlettegenftaande dit Gewas zeer bitter is , zo voed het nochtans zulk een föort van Rupfen , 
zynde op de rug bruin fwart gefpikkelt , en van onderen flets geel ; ze hebben voor zes klaauw- 
tjes, en in de midden acht voetjes ; in Juni veranderen ze in lever koleurde Popjes , in Juli komt 
daar uit een Uiltje, zynde de kop en bovenfte vlerken ook lever koleur met bruineen vergulde plek- 
jes, het lyf en de onderfte vlerken flets geel, en gelyk verguld, hebbende zes bruine pooten, haar 
vlugt is des avonds. 



Het Klifle kruid , zvnde ook genoemt groot Lappa ofAriïium 
van Diofcorides, van Cafparüs Bauhinus, of de Perfonata van 
Johannes Bauhinus , brengt voort een dikke wortel, enkeld, 
een voet lang, regt opgaande, van buiten fwart en van binnen 
wit, voorzien met vezelen: zy heeft zeer breede bladeren, wel 
van meer als een voet breed ,ende op her einde fpics, hebbende 
aan de eene en de andere zyde kleine oortjes ter plaatfe daar zyby 
deftaart zyn aangehegi : haar oppervlakte is hairagtig, donker- 
groen en wit van onderen. De ftam klimt twee ellen hoog,zy 
is dik , regt, hoekagtig, wolagtig en roodagug,en onderfteunt 
cenige bloemen, hebbende de gedaante van een hooft, dewel- 
ke groeijen op het einde van de takken met bloemwerk , als 
koortjes ingefneden. Zy word onderfteunt door een kelk , te 
famen geftelt uit veel fchubben, dewelke eindigen in een foort 



van een na binnen omgekromt haakje, 't welk zig vaflhegt aan 
de kleederen wanneer men het al te na bykomt. Na dat de 
bloem is afgevallen, formeren 'er zig eênige fwarte korrels , 
zynde plat, omzet met eenige korte kuifjes, en die zeer ligc 
door de wind van malkander raaken. De Heer Rai vermeend 
dat Cafparüs Bauhinus, die de Plant, dewelke Arttium quorun~ 
dam in de Hittorie van de Planten van Lion genaamt word , 
mee het Kliflekruid vergeleken heeft. De zelve Schryver en 
keurt nier goed dat Parkinfon daar van een onderfcheide foorte 
gemaakt heeft. Ondertuflchen is het zeker dat Cafparüs Bau- 
hinus het Kliflekruid daar van onderfcheid, even als Parkinfon , 
en dat in de twee Drukken van de Pinax zy genaamt word 
Lappa montana altera , lanuginofa,» 



L X I V. 



Geele Steenklaver, ofte Meliloten. 



Meülotus lutea. 



DEze onderde groote Rupfen geneeren zich op dit Gewas, haare koleur is bleekgroen met brui- 
ne plekken cierlyk geteekent, ze hebben voor zes klaauwtjes, in de midden acht, en achter 
noch twee voeten, en op ider lit des onderlyfs een bloed rood plekje ; ze zyn zeer geftoort als men 
ze aanraakt, in 't laadt van Mai maken ze een wit gefpin en veranderen in een ligt peerfe Pop, irt't 
midden van juni komt daar een fchoon Uiltje uit, zynde de kop, 't lyf, de pooten, de hoorntjesen 
bovenfte vlerken graauw, met fwarte en witte (lipjes en ftreepjes gefigüreert , en de achterfte vlerken 
fchoon vermelion rood, gelyk op een blad zittende vertoont word. 

Zulk een grasgroene Rups , gelyk boven verbeeld is , heb ik in Juli op een Wilge gevonden , en ' 
met klaver gevoed tot in 't laaft des voorfchreeven maands , wanneer ze veranderde in een violet Pop- 
je: des volgenden jaars in Mai kwam daar een ligt bruin donker geftreept Uiltje uit, 't welk wel 
niet hoog, dog heel gaauw van vlugt was. 



Deze Plant is dezelve als de Meülotus fruticofa lutea , vulgaris 
of vfficinarum van Morifon , en de Melilotus officinarum van Caf- 
parüs Bauhinus of de Trifolium odoratum of de Melilotus vulgaris 
fiore luteo van Johannes Bauhinus. Zy brengt voort een of twee 
Hammen van twee of drie voeten hoog, zynde rond, uhgegroeft, 
teer, takagtig, ledig. Drie bladeren van haar groeijen op een 
iteel, gely kende na die van de Fenegriek, maar witter uitge- 



kant of gepunt met lange airen , zynde byna alf.yd geel van ko- 
leur, iomtyds wit, maar zeer zelden. Op haar volgen iwarc- 
agtige doosjes, geftreept, in haar kelk niet beflocen, gelyk als 
in het Klaverblad, waar van yder in zig befluit een of twee 
ronde, eyrondc, dunne en bleeke zaden. Haar wortel is lang, 
dun, buigbaar, vezelagtig en wit. 



34 EUROPISCHE INSECTE N. 

L X % 
Dubbelde geele Violier, fóolalntea, plenopré. 

DIergelyke donkergraauwe langs het ïyf wederzyds met een witte ftreep gegierde ruige Rupïèn-, 
gelyk onder öp een groen blad zich vertoond , vind men op dit Bloemgewas , als ook op de 
KruisberTen en JodenkarrTen ; haar kop is geel, als ook de zes voorfte klaauwtjes, en de acht mid- 
delde en twee achterfte voetjes zyn graauw -, in Aügufti veranderen ze in leverkoleürde Popjes , me- 
de aan de andere zyde op een groen blad verbeeld -, bly vehde aldus in deze gedaante onbeweeglyk j 
des volgenden jaars in April koornen daar zulke Uiltjes uit, ge]yk boven op de Bloem verbeeld is 
zynde de kop, 't lyf en vlerken ligtgeel met fwarte plekjes geeiert, en de oogen, hoorntjes en 
pootjes fwart; haare vlugt is des avonds. 

Boven aan de andere zyde op de Bloem vertoont zich een klein ligtgroen geel gedipt Rupsje , 
deze heb ik met dit Bloemgewas gevoed tot in 't midden van Juni , wanneer ze een wit gefpin maak- 
te , en veranderde in een groenachtig Popje -, in 't einde des voorfchreven maands kwam daar een 
wit met graauwe plekjes geeiert Uiltje uit, hebbende twee graauwe hoorntjes en vier pootjes. 



L X t t 
Koekkoeksbloem, en Gras. FlosCucuU^ & bramen vuïgare. 

DEze Bloemen heb ik hier tot vervulling encieraad bygevoegt; maar deze Onderkruipende groote 
bruine fwart geplekte geel en wit gefpikkelde Rups , hebbende op haar kop een kwasje fwart 
hair, achterop een punt, gelyk een hoorntje, en aan beide zyden raare bosjes Wit hair, die zoo 
laag afhangen, dat men de voeten niet zien kan, vind men in 't Gras, dat ze zeer gretig afweiden, 
zyn ook zeer genegen tot vocht j in 't midden van Mai maaken ze een geelachtig gefpin, en veran- 
deren in een bruine Pop j in 't einde des voorfchreven maands komt daar uit een Uil te voorfchyn , 
gelyk boven te zien is , zynde flets geel , hebbende op yder bovenfte vlerk een bruine dwarsflrcep 
en twee witte plekjes met bruine randjes ; ze leggen witte eiertjes. 

Ook heb ik wel ondervonden , dat zich deze Rupfen ftil nederleiden , en kwamen na weinig tyds 
uit yder Rups vier groote Maaden, die veranderden in Tonnetjes, waar uit zo veel groote Vliegert 
te voorfchyn kwamen. 




XXVII 




Lxvni 





IvXlX 



fe Ü R O P I S C H E ï N S E C T E 



N: 



3J 



L X V I I. 
Bloeijende HMriekloótjes , öf Spindelbomcn. 



'Carpmus florens. 



HEt onderftc dezer Prent vertoont ons een geele fwart geü reepte en geflipte Rups , hebbende 
vóór zes fwarte klaauwtjes, in de midden acht, en achter noch twee geele voeten , ze zyn 
heel traag, als men ze aanraakt blyven ze regens den aard van andere Rupfen ftil leggen; ik heb ze 
met dit blad gevoed tot in 't laatft van Juni, wanneer ze een wit gefpin maakte, Zynde gelyk dun 
parkement, en als zilver glantzig, daar in veranderde ze in een bruine Pop; in 't midden des vol- 
genden maands Juli kwam daar een violet Uiltje uit, welker bovenfte rood geplekte vlerken fchuins 
gecietteen Ichoonen weerfchyn hadden; de onderde vlerkjes waren mede rood geplekt, haare vlugt 
is gering, zynde gemeenlyk veel by malkander in 't gras op de Bloemen; haare eyertjes zyn geel. 

Nog zit ter rechterhand op een blad een grasgroen Rupsje, deze vind men ook wel op de Prui- 
meboomen, ze hebben voor zes klaauwtjes, in de midden acht, en achter noch twee voetjes , ge- 
raakt zynde maaken ze veel fportelirijg y in Juli veranderen ze in een bruin Popje, en na veertien 
idagen komt daar een Uiltje uit, zynde de kop, hoorntjes, pootjes en bovenfte vlerkjes leverkoleu* 1 
met bruine ftreepjes , en de oriderfte VÏerkjes graauw \ haar vlugt is mede iaag in 't gras. 



Dit ïs dezelve Boom als de Oftrya , Ülmo fiwilis , fruBu in urn- 
bilicis foliaceis van Cafparus Bauhinus, en de Fagus fepium, ge- 
meenlyk Oftrys Theopbrafti van Johannes Bauhinus. Ciufius 
noemt haar Oftrys Theophrafli , Fagulut Herbariorum, en Pluknet 
Aceris cognata , oblongis , r ugo fts > Jerratis fotiis ad Ulmum acce- 
dentibus, •vafculïs disjunElis, membranis foliaceis , femhibus ipfis 
appo/iüs, pluribus confertis. De takken van deze boom fpreiden 
fcig zeer veer uit, liet hout daar van is wit, vaft ende zeer 
Hart j overtrokken met eeii witte fchorfle die een weinig onef- 



fen en witagtig Is. Zy heeft de gedaante en het blad van de 
Heefterboom. Zy draagt aan eenige bladeren- die gefchikt 
zyn als fchubben langs een pees , eenige neerhangende groene 
itcekjei Deze groene fteekjes leveren geen' de minde vrugt 
uit. De Vrugten groeijen op de zelve takkenen in eenige plaar> 
fen die van die groene (taarten Zyn afgefcheiden , omringt met 
kleine bladeren. , Zy zyn fteenagtig, gelykende na een kleine 
navel, uitgegroeft, yder met een kroon voorzien? en bevatteri 
iri haar holligheid een langwerpig zaad. 



l i 



büizehdbiad , Gerwë. 



i i i. 



MUlefolmm terreftre florens. 



Dit boven óp de Bloem zittend Beesje vind men ook wel op de Zuuring, zyn koleur is fwart, 1 
't heeft zes pootjes ; in 't laatft van Mai verandert het irt een geel Popje , gelykende wel een 
Hondskopje, na veertieri dagen komt daar een fwart Torretje uit, gelyk onder op de grond lopende 

is verheelt. . ... t 'j. , 

Aan de andere zyde dezes gronds kruipt een klein bëesjè, 't welk ik in 't gras heb gevonden, 
zynde van koleur als een Luis, in 't laatft van Juni klampt het zich vaft tegen het dekfel van de 
doos, daar ik 't in voede, rimpelde zich in malkander, en wierd bruin en hard , na twaalf dagen 
kwam daar uit een klein rood en fwart geflipt Torretje, gelyk mede op de grond vertoont word. 



Cafparus Bauhinus noemt èeic Plant MiÏÏefolium vulgare al- 
hum, johannes Bauhinus Millefolium ^Stratiotes pennatum terreftre^ 
en Dodonjsus Millefolium of Achillaa. Het gemeene witte Dui- 
fepdblad brengt voort ftammen van een of anderhalf voet hoog, 
iyndeftyf, rond, hairagtig, takagtig na hare uiterfte topen- 
den en roodagtig. Haare bladeren zyn alle gefchaart aan eene 
2yde, en verbeelden een Pen van een Vogel. Zy zyn kerfsge- 
tvys iogefneden , dun en gelykende eenigcrrnatèn na dié van de 



Kamillebladeren, van een tamelyke aangenaame reuk, ende" van 
(maak een weinig fcherp. Haare bloemen groeijen aan hec 
bovenfte van haare takken als bloemruikers zeer vaft aan een ge- 
trokken en rond. Yder bloem is ftraalswyze gefchikt, wit» 
onderfteunt door een langwerpige kelk , te famen geftelt uit 
verfcheide bladeren als (chubben op elkander. Als de bloem af- 
gevallen is, komen 'er dunne zaden voor den dag. De Wortel 
van dezelve is vezelagtig, hoütagtig en van een bruine koleur. 

I % 



EUROPISCHE INSECTEN. 



L X I X. 



Acherbrem. 



FIos linïïorius. 



Nder ter regterhand op een groen blad zit een groene Rups, hebbende langs over den rugeen 
_J fwarten, en onder aan weerzode een witten ftreep; als men ze aanraakt blyft ze eenige uuren 
onbeweeglyk zitten • in 't midden van Juni maakt ze een wit gefpin met vierkante gaaten ,^ gelyk 
een visnet, aangeraakt zynde maakt het Popje een geweldige beweeging, in 't begin van Juli komt 
daar een Uiltje uit, zynde ligt groen met witte en donkere ftreepen dwersover de vlerken en fnelvan 
vlupt. 

Ter linkerzyde onder op de grond legt een KarfTeblad, daar op een fwarte Rups, hebbende bo- 
ven op ider lit twee blaauwe kraaltjes , ïder met een bosje hair vercierd , zynde de kop , de zes 
klaauwtjes, de acht middelfte en de twee achterfte voetjes ookergeel; in 't einde van Juni maakt ze 
een graauw gefpin , en veranderd in een bruine Pop, zynde aan de kop met fwart hair bezet ; in 't 
midden van Juli komt daar een donker geele bruine geftreepteJUil uit, weiker hoorntjes als vederen 
zyh, gelyk boven malkander verbeeld is. 



Deze Plant is dezelve , dewelke C fparus B:\uhinus Gemfla 
TitiSoria, Germanïci noemt. Johannes Sauh nus Tinftorius flou 
t.Uiüus Genifta tmcloria , Hifpanua^ en de Hortus Eyftet. Ge- 
niftella liniïorum. De ftammen van deze Plant zyn dik en rond , 
haare bladeren zyn langwerpig, fchiUgtig als de plukvrugten, 



fpits , groeijende alleenig by beurtwifleling langs de takken 
Haare bloemen zyn gefchikt na de wyze van geele ai ren , na dac 
de bloemen zyn afgevallen volgen daar op zeer platte fchellen, 
dewelke in zig befluiten eenige zaden , gelykende na een kleine 
Kier. 



Kleine Weegbladeren. 



L X X. 



Plantago minor florens. 



'P dit Kruid aaft een lange ligtgroene Rups, langs 't lyf wit geftreept, en op ieder lit met een 
J wit {lipje gecierd; in 't einde van Juni veranderen ze in bruine Popjes ; in 't begin van Au-, 
guiti komt uit elk een Uiltje, zynde de bovenfte vierken wit met fwarte ftreepjes gecierd, en de 
onderde vlerken graauw, de oogen en hoorntjes fwart, en vliegen 's avonds. 

Zulke lange Wurmen heb ik in de aarde gevonden , ze waren van koleur gelyk Maaden , met een 
fwart kopje ; ik heb ze bewaard tot in 't laatft van Juni , wanneer ze veranderden in donker geele 
Popjes ; midden in Juli kwam uit elk een bruine Vlieg met klaare vlerkjes , vier pootjes om te loo- 
pen, en achter noch twee diergelyke, zynde recht uit geftrekt. 



Cafparus Bauhinus, Pit. Tournefort en Morifon noemen deze 
Plant Plantago angufii folia , major, Johannes Bauhinus en Tra- 
gus, Plantago lanceolata, Dodonseus Plantago minor , en Lobel 
Plantago quinquenervia. Zy brengt voort lange, fmalle , fpitfe 
en hairagtige bladeren, gemerkt met vyf ftreepen als of het 
zenuwen waren , dewelke zoo lang als ze zyn daar door loopen: 



daar op klimmen eenige ftammen van een voet hoog, zynde 
hoekagtig, geftreept ende uitgegroeft, dragende aan hare uit- 
enden veel korter en veel dikker airen als die van de gemeene 
Weegbladeren, omkleed met bleeke bloemen, op dewelke vol- 
gen vleesagtige fchellen, in zig bevattende dunne en langwer- 
pige zaden. 



LXX 



XXXI 





LXXIÏ 



XXXIII ! 





\ 



EUROPISCHE INSECTEN. 



3? 



L X X L 



Roode Lelicn. 



Lilïüm aurspM. 



*TTUIk flag vanRupfen heb ik op deze Bloem 'gevonden, ze was boven bruin donker geftreept én 
■ f j onder geel met klaauwtjes en voetjes voorzien , gelyk voornoemd ; ik heb ze gevoed tot in 't 
einde van Juni , wanneer ze veranderden in een leverkoleurde Pop ; in 't midden van Augufti kwam 
daar een ligt Uiltje uit, zynde ligt en donker bruin gefigureert ; haar vlugt was s'avonds. 

Onder op een blad leggen vier ronde vermelion roode beesjes, gelyk ik op deze Leliën gevonden 
heb, ze zitten op de groene bladeren ettelyke by malkander, en zuigen daar een groen fap uit, 
zynde dik gelyk geft, daar in leggen ze verborgen dat men ze niet en ziet ; ik heb bevonden dat ze 
mede veranderen in een rood Popje , gelyk hoger op een blad verbeeld is ; uit dit komt een rood 
Torretje , gelyk daar naaft aan zich vertoond , deze geven een aardig gepiep van zich , als men ze 
ïn een geilooten hand dicht tegen 't oor houd ; ze leggen ook roode eiertjes , en zulks ordentelyk op 
ryen , gelyk hooger op een blad te zien is 9 waar uit dan weer zulke beesjes komen , gelyk de eerfté 
waren. 



Deze is dezelve Plant, dewelke Cafparus Bauhinus en Mori- 
fon noemen Lilïum purpur eo- er oceum, 'ïnajus? Johanne's Bauhinus 
Lilium rubens of croceummajus^ Lobel Martagon Chymiftarum, en 
Matthiolus Hemerocallis van Diofcorides. Men noemt haar ook 
in de Franfche Taal Lis de Nótre Dame of van S. Antoïne de Pa- 
doue^ dewyl dat ze bloeit op die tyd als deze Vierdagen aanko- 
men. Zy zet voort een ftam van twee óf drie voeten hoog, 
met vlakken getekend , regt, roiid, omringt meteen menigte 
lange bladeren, naauwlyks zoo breed als die van de witte Lely, 
gehegt aan haar ftam zonder ftaart , bleekgroen, blinkende, 
effen, zagt in 't aanraken, teeder, doordrongen met een lym- 
agtig fap. Haare bloemen groeijen eerftelyk op haare topein- 



den als lange hoofden , dewelke de eene voor en de andere wat 
later tig openen , ieder derzelve te fa'mengeitelt uit fes fteelen , 
van een Oranje koleur, van een lieffelykereuk, in den beginne 
zeer aangenaam , maar die dikwils hóofdpyn veroorfaken als 
men daar te lang aan ruikt. Wanneer deZe bloemen zyn afge- 
vallen, zoo komfen daar uit voort langwerpige vrügten , opge- 
zet met drie hoeken en in haar lengte verdeeld door drie kamer- 
rrtertjes, vervult met.zaaden geboordt met een vleugeltje. Haar 
Wortel is een bol Zoo dik of dikker als een Noot \ vleesagüg» 
wit, te famengeftelt uit fchubben die op de wyze van een hooft 
gefchikt zyn, van beneden voorzien mer vezelen, en van eeft 
lymagtige iubitantie. 



Appelblóitem. 



ï t; 



Flós Mati. 



DEze geele ruige en met ronde dwarsftreepen gecierde Rups heb ik op een Appelboom gevon- 
den, haar kop was bruin, hebbende achter dezelve twee blaauwe, en op ieder lit twee vlees* 
koleurde kraaltjes , de voetjes waren van de zelfde koleur , aan beide zyden was ze met bruine bos- 
jes hair bezet ; in 't begin van Juli fchoof ze haar huid af, maakte een geel gefpin met gaaten , ge- 
lyk een visnet, en veranderde in een leverkoleurde Pop , zynde langs 't heele lyf met bosjes hair en 
onder aan de punt met een kwasje bezet, geraakt zynde beweegde ze zig zoo fterk, dat ze verfchei- 
demaalen omwentelde , na veertien dagen kwam daar een wit fwart gefigureert Uiltje uit, hebben- 
de twee breede roode hoorntjes , gelyk veeren , en achter dé kop tuïfchen de hoórritjes een roode 
ftreepj ze was heel rad, haar vlugt was s'avonds. 

K 






3* 



EUROPISCHE INSECTEN. 



L X X I I L 



DruivenbloiTem. 



Vitis ft 



ore ris. 



)Eze twee groote Rupfen zyn eenderlei aard, haar verïchil beftaat 'alleen in dekoleur, zynde de 
bovenfte bruin , en de onderde groen , beide met fwarte en witte ftreepen en plekken gegierd ', 
ze geneeren zich op de Wynftok, wanneer ze eeten dan rnaaken ze zig wel een derde langer als óf 
ze in haar ruft zyn, haar drek is donker groen, en vertoond zich vyf kantig, dog de kanten rond , 
of 'er zes ftaafjes tegen malkander gevoegt waren, gelyk by de onderfte Rups tot beter begrip ver- 
beeld is. 

't Is by my wel gebeurd, dat eenige der groene Rupfen zig neerleiden, en rimpelden zig kort in 
malkander, waar uit na weinig tyd zes Maden voortkwamen , deze veranderden in bruine Tonnetjes, 
daar dan uit ieder een donkerblaauwe fwart geftreepte Viieg kwam , met roode oogen, en klaare 
vlerken als glas. 

De bruine Rups veranderde in 't midden van Juli in een ligt bruine Pop, en bleef in deze gedaan- 
te tot des volgenden jaars in Mai, wanneer een fehoone Uil te voorfchyn kwam, zynde de kop, 't 
lyf en bovenfte vlerken fchoon Rofenrood met Papegaygroene ftreepen en plekjes geeierd , de on- 
derfte vlerken elk met een fwart vlakje geteekend, en de oogen geelagtig groen , hebbende voor aan 
de kop tufTchen de hoorntjes een dunne lange geele fhuit, om haar voedzel te trekken, die ze kort 
in malkander konnen krullen , en onder de kop bergen : dit is myns dunkens billik voor een der 
merkwaardigfte en fchoonfte veranderingen te achten; 



De ftam van dit Boompje is bogtig, overtrokken meteen 
roodagtigebaft, voortbrengende ver'fcheide lange telgen, voor- 
zien als met handen, waar door dat ze opkruipen en zig heg- 
ten aan de latten en naafteboomen. Haare bladeren zyn groot, 
breed en byna rond j ingekorven , groen , blinkende en een 
weinigje ftroef in het aanraken. Haare bloemen zyn klein , en 
geformeert als een tros, gemeenlyk te famengefteld uit vyf 
itee) tjes, gefchikt als een Roos, zy zyn van een geele koleur 



en welriekende. Haar Vrugten zyn ronde of eyronde beffen,' 
.zynde de eene by den andere verzamelt als dikke troffen , groen, 
fcherp in den beginne, maar ryp wordende krygen ze een wit- 
te, roode of een fw arte koleur, vleesagtig, vervult met een zoet 
en aangenaam fap. Men noemt ze in 't Latyn Uva , in 't Franfch 
Raifins en in het Duitkh Druiven. Zy bevatten in zig verfchei- 
de fpitfe korrels, maar zy hebben 'er gemeenlyk maar vief. 



L X X ï V. 



Linden-bloiïëm. 



Titia florens. 



GRoote en fehoone Rupfen vind men op de Lindebomen , waar van hier onder een afbeelding , 
ze zyn leverkoleur wit geflipt over den rug, het onderlyf is fletsgeel, op hetagterfte lid ftaat 
een blaauw hoorntje , en daar agter een geele plek , ze zyn ftil en traag , dog als men ze aanraakt , 
(laan ze fterk met de kop heen en weer, eeven als toornig zynde; wanneer ze volwalTen zyn fchui- 
ven ze haar huid af, en veranderen in een fwarte Pop ; deze legt gelyk dood tot des volgenden jaars, 
in Mai komt daar zulk een groote fletsgeele groen gevlakte Uil uit j haare vlugt is des avonds. 



De Lindeboom is een hooge boom, dik , vol takken. Haar 
baft is effen, asgraauw of. fwartagtig van buiten , van binnen 
geelagtig of witagtig , en zoo buigfaam en gedwee dat ze dien- 
itig is om daar van eenige touwen, ja kabels te maken. Haar 
houtiszagt, zonder knobbels , witagtig, haare bladeren zyn by 
beurt wiiïeling gelegen langs de takken, zynde rond, dog op 
het einde fpitsagcig, een weinig wolagtig , glanzig en tandswy- 
ze aan haar zyden gekartek. Haare bloemen zyn aan vyf deel- 



tjes gefchikt als een Roos, van een Citroen koleur en van een 
lieffelyke reuk : zy komen voort uit de holligheden van groote 
bladeren met een vry lange ileel , en worden onderfleunt door 
een kelk die in vyf deelen gemeden is. Deze bloemen hebben 
een groote meenigte van zagte vezelen en een afgerond deeltje , 
dewelke veranderd word in een vliesagtige doos, zynde eyrond, 
wolagtig, alwaar men in vind twee langwerpige en fwartagti- 
ge zaden. 



LXXIV 




LXXV 




LXXVII 



LXXVI 





E Ü R O P I S C H E INSECTEN". 



39 



L X X V. 



Rózenkoleürde Akkerwinde. 



Convolvuliis minor \>ur\mreu$. 



DEze groote föort van Rupfen vind men zelden, ze onthouden zig meeft in de Koornvelden, 
en geneeren zig van de wortelen dezes onkruits, haare koleur is ligt bruin, donker geftreept 
en geplekt, haar drek is mede gelyk in Fig. LXXIII. gezegt is. In 't laatfl: van Juli deed ik zulk 
een Rups in een doos met aarde , daar in maakte ze een ronde diepe groeve , daar in gegaan zyn- 
de dekteze dit hol met bladeren, en veranderde in een Pop, die voor groen en achter geel was, dog 
die wierd 's anderendaags bruin, hebbende een verbeelding gelyk oogen, en daar tuiTchen een fnuit, 
Ze was zeer fterk van beweeging , in September kwam daar uit een groote Uil te vootfchyn , zynde 
't voorlyf en vlerken asgraauw met fwart fchoon gefigureerd \ de Romeinfche letters B. CV. en M. 
waaren duideiyk op de vlerken te vinden, hebbende verder voor aan de kop een lange bruine fnuit, 
die zig een end van de kop in tweën kloofde , die zy wederzyds opkrullen, en ook weder in de 
langte uitftrekkèn konde, het achterlyf was ligt rood en fwart geftreept, met een asgraauwe ftreep 
langs 't midden, 't heele lyf was ruig of donfig gelyk vederen, des daags was ze ftil , maar des avonds 
vloog ze met een groot geruifch , na de eigenfchap haarer groote. 



Deze Plant is derelve dewelke Johannes Bauhinus Helxine , 
Ciffampelos mulus , of convohdus minor,, en Dodonarus Sm'ilax 
ïavis, minor noemt. Op die manier als'Cifparus Bauhinus An- 
guillara aanhaalt, die over drzeh-e gefc.hreven heefc, zoo zou- 
de het fchynen dat hy daar van gelproken heeft als van ver- 
fcheide foorten. OndertuiTchen zoo zyn het maar alleenlyk drie 
byzondere benamingen die hy 'er aan geeft van een byzondere 
betekeniitê,en die men vervolgens agter malkander by een moet 
brengen , gelyk als Orobanche Theophrafti , Helxins , Ciffdmpeloi 
en Scammonia parva PUnït. Zy brengt verfcheide ftammetjes 
voort, dewelke dun, teeder, langs de grond kruipen en zig 
vaft hegten aan de na by zynde Planten \ en die gemeenlyk in 
zig bevatten een helder fap. Haare bladeren gelyken na die van < 
de Veilboom, alias Klimop-bladeren , maar zy zyn grooter, 
fcagter in het aanraken » dog ftroever als die van de Klokbloem, 



zynde zenmvagtig en groeijende twee aan twee. In eenige is de 
kelk dubbelt, de eene heeft van buiten twee bladeren , de an- 
dere is van binnen veel kleinder, verdeelt in vyf deelen , op de 
wyze als een pyp, in de andere is de kelk enkeld. De bloem 
heeft de gedaante van een klok van een pürperagtige koleur, 
eenfteelig en vyf hoekig : zy groeit als gehegt aan een iteeltje, 
dewelke van tuflchen uit haare bladeren voor. komt. De vyf 
zagte vezelen die uit de grond van de bloem voortkomen , ver- 
eenigen zig in een buys : wanneer de bloem is afgevallen , zoo 
word het eyerneft een byna ronde Vrugt, dik gelyk eenKerffc, 
vliesagtig, omflingert van zyn kelk, brengende voort driebui- 
zen, byna altyd verdeeld in drie afgefchote kamertjes, zelden 
in vier, en fomtyds nogtans in een alleen. Ze benelft in zig 
eenige hoekagtige zaden, zynde fwartagtig of fomtyds roodag- 
tig. Haare wortelen zyn lang, dun en wit van binnen. 



L X X V ï. 



Geranium florens. 



O y evaaars Bek. 

Dit Bloemgewas heb ik tot cieraad hier by gevoegt, want de Rups daar ik van fpreeken zal ge- 
neerd zig op her geringfte gras , ik vond ze in Maart, zynde met fwarte ftipjes gecierd, de 
kop en 't achterfte lid fwart, voor had ze zes klaauwtjes, en in de midden acht voetjes, die lever 
koleur waaren. 

In Juli , wanneer ze zesmaal haare huid afgefchooven had , veranderde ze in een ligt bruine Pop ; 
in Augufti kwam daar een Uiltje uit, welker kop en bovenfte vlerken waaren bruin fwart gefigureerd, 
hebbende zes bruine hoorntjes, 't achterlyf en de vlerken waaren askoleur, haare vlugt is des avonds. 



Tragus heeft aan deze Plant een zeerflegte gedaante gegeven 
onder de naam van Gratia Dei vel Geranium quibusdam. De bloe- 
men worden 'er verbeeld uit een ftuk te beftaan, alhoewel ze 
Zyn uit vyfbladige fteeltjes, na de wyze als Gafparus Bauhinus 
Anguillara, die over deze Plant gefchreven heeft, aanhaalt. 
Het fchynt dat deze Schryver daar van twee verfchillende foor- 
ten gemaakt heeft, ondertuffchen ftemt Anguillara toe, dat die, 
die hy Panax Herackum genoemt heeft , dezelve is diehy Sideritis 
noemt. Deze Plant brengt voort verfcheide ftammen tot an- 
derhalf voet hoog, wolagtig, knobbelagtig, takagtig enroot- 
agtig. Haare bladeren fpruiten uit de knobbels van haare tak- 
ken, gemeenlyk twee aan twee. Haar kelk heeft vyf bladeren 
gefchikt als een Star. Haare bloemen zyn te famen gettelt uit 



vyf bladige fteelen, geformeert als een Roos, hebbende tien 
zagte vezelen, dewelke voortkomen van de buitenfte omtrek 
van de bodem des eyernefts. Haar Vrugt is geformeert als een 
naald of als de bek van een Kraanvogel, hebbende aan de bene- 
den voet vyf kamertjes, die ieder in zig bevatten fpitfe zaden, en 
van ieder kamertje komt een dun pypje voort. Vyf van deze 
pypjes met elkander digt vereenigt , formeeren met het eyer- 
neft een foort van een Oyevaarshoof of het hooft van een Kraan- 
vogel. Haare wortel is dun, van koleur als de Palmboom. Ta- 
bernemontanus befchryft ze onder twee gedaantens, naaien vk 
onder die van Geranium Rupertianum en onder die van Geranium 
Violaceum. 



K z 



ÈSiÉ*A*J 



40 EUROPISCHE INSECTEN. 

L X X V I I. 
PcerblofTcm. Tyrus frafmafiorens. 

E En witte met roode plekken langs den rug gegierde Rups geneert zig op de Peerboom , haar 
kop is bruin, ook heeft ze langs het lyf aan beide zyden bosjes hair, voor heeft ze zes klaauw- 
tjes , in de midden acht , en achter noch twee voetjes. 

In 't begin van Juli fchuiven ze haar vel af en veranderen in bruine Popjes , deze zyn langs en op 
cle kop met bosjes hair bezet, verbeeldende ook twee fwarte oogen, 't welk al een raare tronie maakt. 
In midden des voornoemden Maands komt uit ieder Popje een wit dog fwartgeciert Uiltje uit , de 
onderfte vlerken zyn ligtbruin, 't lyf vleeskoleur , de hoorntjes wit met bruine hairtjes bezet , en de 
oogen fwart , haar vlugt is fnel en by dage. 



L X X V I I h 
AllTetn. Ahfmthium 'vulgare. 

HOe wrang en bitter ook een Kruit is , zo. verftrekt het nochtans 't een of 't ander Gedierte 
tot fpyze j gelyk aan deze ftruik blykt. Deze daar op zittende Rups , zynde langs de rug 
met een witte ftreep en bruine vlakjes geteekent, aan de zyde vaalgroen met bruine ftreepjes, en 
heeft onder op ieder lit een wit ftipje , ook voor zes klaauwtjes , in de midden acht , en achter nog 
twee voetjes, geraakt zynde bewegen ze den kop fnel heen en weer: ze veranderen in Mai in fwar- 
te Popjes; na drie weeken komt daar een Uiltje uit, welker kop en bovenfte vlerkjes rosachtig met 
fwarte en bruine ftreepjes en ftipjes gecierd is , ook vind men een wit gelyk zilver glantfig plekje in 
't midden op de bovenfte vlerkjes, de onderfte vlerken en 't lyf zyn bruin , hebbende twee fwarte 
hoorntjes, en twee glantfige oogen, haare vlugt is 's avonds. 

Noch zit daar onder een klein lang groenachtig Rupsje, hebbende een raare gang, het brengt 
het achterlyf by het voorfte , maakt een hoogen rug, en ftapt zoo voort, zomtyds ftaat het op 
zyn achterfte voeten een wyle recht overend. 

In 't end van juli veranderen ze in groene Popjes, na veertien dagen komen daar Uiltjes uit, wel- 
ker kop, lyf en bovenfte vlerkjes groen met witte, fwarte en bruine ftreepjes en ftipjes geteekent, 
en de onderfte ligt bruin zyn: ook hebben ze twee ligt bruine hoorntjes, en vier bruin gefpikkelde 
pootjes, zynde gaauw van vlugt. 



Deze Plant is dezelve als die, dewelke Cafparus Bauhinus een lieffelyke geur, maar zeer fterk. Haare takken zyn rond- 

noemt Abfinthium Ponticum feu Romanum officimrum-, feu Diofco- om voorzien mee een groot getal witte bloemen, dewelke even 

ridii : en Dodon£eus Abfintbim. htifolium. Het Alfemkruid zoo veele ronde Ruikertjes uitmaken ,, te famen geftelt uit wy- 

brengt voort een menigte van ftammen van twee ellen hoog, de uitgeftrekte bloemwerkjes als van een Star, van een rofle 

gegroeft, overdekt met een graauwagtig hair, takagtig, en koleur. Daar op volgen eenigc dunne eyronde zaden, befloten 

daar komen uit voort eenige bladeren diep ingefneden , en van in eenige afgeronde kelken en fchubagtig. Haar wortel is dik- 

onderen verdeelt, witagtig, zagt, vaneen iterk bitter en van agtig, houtagtig en vezelagtig. 



LXXVIII 





I.XXK 



LXXX 



iv^ooa 





Geele Walftroó. 



EUROPISCHE INSECT E Ni 
L X X I X. 



4* 



Galllum Luieum. 



^t gewas verftrekt tot voedzel van een fchoone Rups , welker koleur is groen, hebbende over 
\ fyf veel ronde witte verheevene (lipjes , langs beide zyden een witte Ureep ; aciiter op een 
half witte en blaauwe hoorn, voor zes klaauwtjes, in de midden acht, en achter noch twee vlees- 
koleurde voetjes: ik heb ze gevoed tot in 't midden van Juli, wanneer ze vervelden wierden ze vlees- 
koleur, en vervolgens veranderden in geele graauwachtige Popjes, zynde in deze geftalte , geraakt 
weefende, zeer onruftig. In 't begin van Augufti kwam daar uit een Uiltje, dier kop, voorlyf, 
pootjes en binnenfte vlerkjes waren bruin en donker geftreept, 't agterlyf wit met fwarte dwarsftree- 
pen en hairtjes gecierd, de onderfte vlerkjes waren Oranje, hebbende fwarte oogen , fwarte hoorn- 
tjes, en voor een fnuitje om haar voedfel uit de Bloemen te zuigen, haar vlugt is des daags, ze zyn 
fnel, en moeylyk te vangen. 

Nog heb ik hier by gevoegt een Motte, zynde wit van koleur met een fwarte kop: deze heb ik 
in Laken gevonden, daar in had ze een ovaal huisje van de wol gemaakt, dog met een opening - t 
wanneer men het eene end raakt , dan fpoed ze zig 't ander end uit en weer in: ze veranderen ineen 
Tonnetje, en na veertien dagen komt daar een Motuiltje uit , zynde zilver glantlig, met iwarte 
ftreepjes en ftipjes geciert; dog dewyl ze om haar fchadelyk bedryf al te veel bekent zyn, zal ik zé 
zoo laten beraden. 



Deze Plant brengt voort eenige ftammen ,vaiï vier voeten 
hoog, zynde teeder en langs de grond heen kruipende indien 
ze niet onderfteundt wierden door de heggen, ruffchen dewelke 
zy gemeeniyk groeijen , als zynde de wortels der zelve dunder 
als haaire takjes om hoog , dewelke vierkant, glad , groen of 
zomtyds na een purpcragtige koleur fwymende , voltakkig, 
knobbelagtig , ledig en bros zyn. Uit ieder van haare knobbel- 
tjes komen voort zeven of agt bladeren, dog zelden meer, Zom- 
tyds minder, gefchaardt als een itraal rondom deltam, gelyk 
als die van de KliïTe. Haar bloemen zyn veelvuldig, klein, geel, 



half of tweeflagtig, glad , voortkomende uit de punt van het 
eyerneu;, zonder kelk, aan haar onderde gedeelte geformeerc 
als een pyp, en na haar hovende gedeelte verdeeldt in vier dee- 
len , gefchikt na de gedaante van een dar. Zy hebben al zo veel 
vezelen, als neerhangen groene ftarag-ige neerhangende blade- 
ren. Na dat deze bloemen zyn afgevallen, zoo volgt op yde'r 
van haar een Vrugt, in zig behelzende twee korrelen aan el- 
kander vad, zynde droog en een Maan verbeeldende. Haare 
wortels zyn houtagtig en voorzien met óriaafleen vaftgevlogce 
vezelen. 



Eltzeii Lof. 



L X X X; 



Mh% FoiïJt. 



DEze op een blad kruipende Rups is wit en fwart geftreept en geïlipt, met een fwarte kop; 
hebbende voor fes klaauwtjes , in de midden twaalf, en achter noch twee voetjes ; ik heb ze 
met deze bladeren gevoed tot in 't end van Juni, wanneer ze zig in een blad rolde , een wit gefpiri 
maakte en veranderde in een Popje ; na veertien dagen kwam daar een fwart geflipt Uiltje uit , ge- 
lyk boven verbeeld is. 

Op 't onderde blad kruipt een fwart > geel geflipt, leelyk Bcesje met fes pootjes, deze tot half 
Juni met deze bladeren gevoed zynde, klampten zich aan (teeltjes vaft, trokken haare geftalte oir; 
en wierden fwart en wit geplekt ; na weinig dagen kwamen daar tweederlei Torretjes uit, zynde bei- 
de fwart en geel , dog eik byzónder geteekent. 

Onder naaft de fteel kruipt een geel Rupsje, 't welk ik mede op deze groente gevoed heb tot in 't 
laatft van Juni, wanneer uit zyn lyf, nog levendig zynde, drie Maden kroópen; deze hebben zicli 
elk in een wit eitje geiponnen, en zyn in Tonnetjes verandert, waar uit na twaalf dagen drie Vlie- 
gen te vodrfchyn kwamen, hebbende een fwarten kop, en een geel lyf en pootjes. 

Nog kruipt onder ter linkerhand een graauw fwart geflipt Rupsje, zynde.de kop en de voorde 
klaauwtjes fwart, en de andere voetjes wit; deze leide zich in Juli (til als dood neer, na weinig dagen 
kroop uit zyn lyf een lange geele dunne Worm, gelyk een draat, deze was fpeculatif aan te zien j 
hy ilingerde zig met veel bogten in en door malkander * wierd ftyf, en ftierf. 



Deze Boom is van een' middelmatige dikte , hebben Ie een 
regtopgaande (lam: haar dam is voorzien met uitfpruitfels, de- 
welke voortkomen Uit 't benedenft van de Plant, verdeel Jt in 
verfcheide takken , en overdekt van een uitterlyk bruine bad, 
onder dewelke zig opdoet een andere fchorfle van een geele 
groenagtige koleur, en die het een koleur geeft als, die van de 
Saffraan, zynde bitter van fmaak , vaneenzanientrekkendekragt. 
Haar hout is zagt, buigzaam, ligt, roodagrig,zeer verganke- 
lyk als het op de grond kit , maar in het water blyft het gelyk 
als onvergankelyk, en het is ook daarom dat men zig van die 
hout boven alle ander hout bediendt, wanneer men in 't water 
het fondament van eenig gebouw moet maken. De bladeren van 
deze Boom zyn byna rond, beurtswyze gefchikc, fwymende ni 
die van een Hazelaar, glad, rein, van een fwartagtig groen, 
onderfchcide langs de lengte van de bladeren door fchuinze ze- 
nuwen , dog onder elkander zynze van een even gelykheid. 
Haare bloemen zyn te zamengeftelt uit verfcheide zuiltjes aan 



een draadtje vaft gehegr. Yder bloem is van vyf zuiltjes te za- 
men gedelt, dewelke geplaatft zyn in de kokers of in de openinr 
gen van een kelk, die geformeert is van een blad, en is gekliefc 
m vier deelen. Het zuiicjc word een rcUelyk ronde befle, fwart, 
fchubagtig, ontrent van de dikte van een Moerbezie en root- 
agtig: Zy opent zig by verfcheide fchubngtige bundeltjes , en 
kat in de klooven te voorfchyn komen eenige platte enroodag- 
tige zaden. Öm deze Plirtt te verbeelden, zo heeft Löbel zig 
bediend vari de gedaante van de Almts altera Clufii\ dewelke 
noguns van deze verfchillênde is. Cafparus Bauhinus , die ovet 
Mathiolus gefchreven heeft, Gefner , Tragus, Dodohaeus en 
Stapel hebben de groene draadjes van deze Boom met die vari 
liaare vrugteh ondereen verwordt. Johannes B-tuhinus, die haar 
Wel heeft onderfcheiden ^ vermoed' dat deze kleine draaden, de- 
welke aan het einde van deze jonge vrugt zyn, -de bloemen Zyri 
van de Ülzenboom. Dog het is beter de groen neerhangende 
fchikjes op te vatten voor de bloemen. 

L 



41 



EUROPISCHE INSECTEN. 



L X X X L 



Bonte Angelier. 



Cariophillm variëgatus. 



OP deze half bloeijende Bloem kruipt een Rups , zynde langs de rug donker bruin , de kop en 
voeten ligt geel , als ik ze met deze Bloem gevoed had tot half Juli veranderde ze in een 
bruine Pop, in deze geftalte bleef ze leggen tot des volgenden jaars in 't midden van Juni, wanneer 
daar een Uil uit kwam, welkers kop en bovenfte vlerken iwart gefigureerd, het achterlyf , de on- 
derfte vlerken , de hoorntjes en pootjes asgraauw waren , haare vlugt was des avonds. 

Het andere Wormken, dat zig aan de fteel der groote Bloem vertoond, geneerd zig van de groe- 
ne Diertjes, die dit Gewas mede voed; deze voornoemde Worm zit geheel ftil zonder beweeging, 
als nu de gezegde groene Luisjes over des Worms lyf heen loopen , dan vat hy ze fchielyk , zuigt 
het vogt daar uit , en laat als dan de leege haft vallen ; in 't end van Juni veranderde ze in een bob- 
bel of blaas; na veertien dagen kwam daar een Vlieg uit, welker koprood, 'tlyffwart, overdwars 
geel geftreeept , en de voetjes bruin waren. 



L X X X I L 



Bloeyende Borrage. 



ONder ter rechterhand op een blad zit een groene Rups, hebbende voor zes klaauwtjes, eri 
achter vier voetjes, men vind ze ook wel op de Bloemkool; in Augufti maaken ze een wit 
gefpin, en veranderen fommige in bruine, andere in donker groene Popjes, en ettelyke krompen 
onder 't fpinnen in malkander , waar uit dan Maden voortkwamen , die dan ftierven ; uit de donker 
groene Popjes kwamen zulke fwarte vliegende Beesjes , gelyk Wefpen , met geelc pootjes en klaare 
vlerkjes, en uit de Popjes kwamen donker graauwe Uiltjes voort, met fwarte en zilver blinkende 
ftreepjes en ftipjes gecierd, hebbende twee fwarte lange en nog twee korte hoorntjes, en viergraau* 
we pooten , gelyk boven verbeeld is. 

Het andere aan de linkerhand op een blad zittend Rupsje heb ik op een Pruimboom gevonden en 
daar mee gevoed , tot zo lang ik bladeren heb konnen bekomen , doe maakte ze een dun geipin , erl 
bleef daar in zonder eeten levendig tot des volgenden jaars in Maart, wanneer ze in een ligt bruin 
Popje veranderde, waar uit in 't midden van April een fwart en wit geftreepten geplekt Uiltje kwamj 
hebbende twee graauwe hoorntjes en vier pootjes, gelyk nader in de Print vertoond word. 



Cafparus Bauhinus noemt deze Plant ook Buglojfum htifohum. 
Zy doet uit haar wortel voortkomen eenigebreede langwerpige 
bladeren, hairagtig, een weinig ftekende,ruw in het aanraken, 
het meefte gedeelte verfpreid op de grond. Haar nam groeit 
omtrent tot op de hoogte van anderhalf voet, fwak, ledig, 
rond, takkig, teedcr, voorzien met een dik ftekelig hair , na 
de grond hangende , en zig niet konnende opregten als met 
moey te. Haar kelk is breed , gefneden in vyf lange ftralen , 



dun, gefchikt als een ftari Haare bloemen zyn blaauw, ieder 
is op een voet alleen geformeert als een rad, gelykende na het 
rad je van een Spoor. Na dat de Bloem is vergaan, zoo komen 
in haar plaats vier in een gedroogde zaden, zynde te famen in 
de kelk van de Bloem. Ieder van deze zaden heeft de gedaante 
van een Slange hooft, zynde van een fwarte koleur. Haarwor- 
tel is lang en dik als een vinger. 




Lxxxn 




LXXXIII 



LXXXIV 




IvXXXV 




E ü R O P I S C H E INSECTEN, 43 

L X X X 1 I I. 

Oflentonge. Eihium <vulgare cösruleum. 

1 En klein dog net Rupsje geneert zig op dit Gewas , zynde fvvart, met geele kruisjes over dertig 
en uitte ftreepjes over dwars geteékent, ook zeer gaauw in 'tloopen: ik heb ze gevoed tot in 
't midden van September, wanneer zeeën wit gefpin maakte, waar in ze bleef tot des volgenden 
jaars, in April kwamen daar zulke kleine fwarte Vliegen uit, gelyk boven vertoond word. 

Als ik, in gevolge myner gewoonte, een menigte van Uiltjes en Kapelletjes in home dooien mee 
fpelden valt geftoken had, om aan de begeerige Liefhebbers het Mie leven tekonnen toonen; niet 
tegenftaande deze bloedeloofe beesjes ettelyke jaaren verdroogt waren, wierd ik egter gewaar dat 
daar uit te voorfchyn kwamen levendige Wormpjes, zynde bruin met witte ftreepjes dwars over geteé- 
kent, en-gebruikten zulks tot fpyzedaar ze uit voortgekomen waren, toe dat ze veranderden in ligt 
bruine Popjes, waar uit na weinig tyds kleine fwarte Torretjes kwamen, hebbende een bruine ftreep 
dwars over 't lyf, zynde deze verandering onder naaft de deel verbeeld. 

Nog word onder ter linkerhand op dit blad vertoont een Kaasmade 5 ik heb bevonden dat deze 
veranderen in bruine Tonnetjes , waar uit binnen veertien dagen kleine bruine Vliegjes komen. 

Deze Plant brengt voort ecnige Mammen van meer als twee fyheftre, minus heeft doen etfen in de pliits van de Echium, en 
voeren hoog. Zy is groen, hairagcig,gemerktekent met fwar- dewelke de geciainte van de Echium uitgeeft voor die van de Cy- 
te punten. Haare bladeren zyn langwerpig, bairagtig, fmal, noglojfum: het is vvaarichynlyk dat hy bedrogen is geworden 
ruw in 't aanraken, voorzien ma lehefpc punten. Haar kelk door de gedaante die 'er Tragus aan gegeven "heeft. De tWfè 
is gekiooft tot aan de grond toe, die zeer breed of wyd uitge- af beeldfels, die Lobel daar aan gegeven heeft , verbeelden de 
breid is, verdeeld in vyf deelen, lang, fmal, fpits en uitge- Echium-, alhoewel dat de eene genoemd word Lycop/is altera, 
groeft. Haare bloemen omflingeren de {lammen byna van be- Angïtca, en de andere Echium of Buglojf^m fylvefire. Deze Plant 
neden tot boven toe, zy hebben de gedaante van een tregter, word vier maal gevonden in de Hïjlohe des Plan/es di Lion , al- 
gebogen, en ingefneden by de randen in vyf ongclyke deelen, waar 2: genoemt word Cynoghjjum Matthioli , Onosma Mathioli, 
blaauw van koleur, hebbende in het midden vyf vezelen en een Echium Mathioli en Lycopfis Anglica Lobelii. Johanncs Bauhinus 
zuiltje. Wanneer de bloem is afgevallen zoo volgen daarop twyffek of de Echium van Cefalpinus dezelve is als die waarvan 
vier aan elkander gevoegde zaden, zynde rimpelig, hebbende ieder dat hier gefproken is. Maar de Heer Tournefort verzekert dar. 
op zig zelve de gedaante van een Slangehoofd, en daar van is oor- Cafparus Bauhinus met meer reden de Plant van Cefalpinus heefc 
fpronkelyk dat men de Plant noemt in 't Frans Herbe aux Fiperes. doen gclyken na de Lycopfis Pin. dewelke is de Lycopfis of deZ-y- 
Haar wortel is lang, dik als een duim en houcagtig. Jjhmnes' copfis degener Aucbufa JEgineta, Matthioli Cynoghjfum , dewelke 
Bauhinus heeft aangemerkt dat Dodonams de Echium met de ge- Pena en Lobel by Frontignan aantekenen, en dat die geen die 
meene Hondstonge onder een verwart heefc. Want hy meent Rcgifters van de Koninglyke Tuin van Parys hebben fumenge- 
dat ze de ftatn fcherp en ruw heefc : aan de andere kant heefc hy ftelt, en die van Blois, haar hebben genoemt Lycopfis Mompz* 
zig bedient van een flegt voorbeeld, afgefchetffc na die van haca jloribus diluü purpureis. 
Fuchfius. Dezelve Schryver zegt dat Fuchfius de Buglojfum 

L X X X I V. 

Blaauw Beffen. Mjrtillus Jaccis nigris. 

AAn deze fleel kruipt een Rups , welker geftalte heel vreemd dog cierlyk is , hebbende een 
bruine kop , boven met vier roode plekjes gecierd , en een dubbelde fwarte baard , 't lyf is 
bruin met roode en geele ftreepjes , een breede fwarte ftreep langs de rug geteékent , daar op vier 
geele bosjes hair, en op het achterfte lit nog een bosje, zynde onder fwart en boven geel , de zes 
voorfte klaauwtjes met de middeifte acht voetjes zyn geel, en de achterfte twee zyn fwart. Ik heb 
ze gevonden in Mai en juni, en met deze, als ook met Sleepruim bladeren gezoed , totdat ze haare 
geftalte verwiifelden , 't welk op tweederlei wyze gefchiede, zommige maakten een open geel gefpin 
en veranderden in geelagtige graauwe Popjes, gelyk onder ter linkerhand getoont word, na vier 
weken kwam daar een zeer flegt Uiltje uit, mede daar boven op een blad getoond, leggende een 
meenigte witte eiertjes. Andere klampten zig vaft aan het dekfel van de doos, gelyk deze gedaan- 
te boven vertoont word, binnen vier weken kwam daar een liegt vliegend beesje uit, hebbende een 
fwarten kop en lyf, en zes donker geele pooten , gevende een boven maten leiyken ftank van zig. 

Als ik in 3 t jaar 1688. in Vriesland was , vond ik in 't begin van Augufti die zelve foort van Rup* 
fen, waar van een der zelve een gefpin maakte en veranderde in Wormtjes, en deze weer in zulke 
Tonnetjes, gelyk boven de Rups op twee groene blaadjes vertoond word; des volgenden jaars in 'c 
Jaatft van April kwamen daar uit twee zulke Vliegen, als ook op een groen blad verheelt is; de an- 
dere Rupfen maakten een gefpin en veranderden in fwarte Popjes, waar uit donker geele Uiltjes te 
voorfchyn kwamen. 

Nog geneert zig op deze bladeren een fwarte Rups, hebbende op ieder lit een bosje geel hair t 
en op beide zyden op elk lit een wit ftipje, in Juni maken ze een wit gefpin, en veranderen in fwar- 
te Popjes; na veertien dagen komt daar een wit met fwarte ftreepjes en ftipjes gecierd Uiltje uit, 'heb* 
bende een bruine weerfchy n , gelyk deze veranderingen ter rechterzyde boven malkander verbeeld zyn» 

Deze is dezelve Plant dewelke Cafparus Bauhinus noemt Vi- meert als een kiek , wit van koleur, dog roodagtig, fteunende 

tis Idtea , foliis oblongis , cenaiis fruElu nigricante , Dodonxus ydcr op een kolk, dewelke, als de bloem verwelkt is, een 

Faccinia nigra , en Johannes Bauhinus Fitis ldxa angulofa. Dit is kloodagtige bene word , zagt en vol van Zap , ter grootte vart 

een klein Boompje, anderhalf voet hoog, dewelke dunne tak- een Jeneverbesje, hol als een navel, van een donker blaauwe 

ken doet uitfehieten, overdekt met een groene haft. Haare bla- koleur, fvvartagtig, van een zamentrekkende fmaak,eenigfints 

deren zyn langwerpig, een weinigje tandswyze aan haare randen na het zuur trekkende : Zy behelft in zig verlcheide kleene wit* 

gekartek. Haare bloemen zyn rond, hol, eenvoccig, gefor- agtige zaden. Haare Wortel is klein en houtagtig, 

L % 



44 EÜROPISCHE INSECTEN. 

L X X X V. 
Sicc-Fruim- Bladeren. Frtém fylvefiris folia. 

DEze onder op een groen blad zittende bruine met witte ftreepjes gecierde Rups vind men 
meeft op alle Vrugtboomen , thans heb ik ze met deze Sleebladeren gevoed tot in 't eind van 
Augufti, wanneer ze een dun gefpin maakten, en veranderden in een bruin Popje, na veertien da- 
gen kwamen daar Uiltjes uit, welker lyf flets geel, de vlerkjes en pootjes wit, de oogjes fwart , en 
de hoorntjes geel waren , haare eiertjes dekken ze met een dons , om ze tegen meeuw , regen en 
koude te verzorgen. Ook zyn uit ettelyke dezer Rupfen Maden gekroopen , die in Tonnetjes ver- 
anderden, waar uit in tien dagen Vliegjes kwamen. 

Hooger opwaarts zit mede een Rups op een Sleeblad, zynde fwart geel geftreept en glanfig van 
lyf; in 't midden van Augufti klampen ze zich vaft aan een takje, omwinden zich vaft met een 
witte draat, gelyk Zyde, en veranderen in Popjes, zynde zommige wit, geel en fwart geplekt, an- 
dere zyn groen en geel met fwarte vlakken > geraakt zynde zyn ze zeer beweegende; in 't laatft van 
Augufti komen daar witte en geele Witjes uit, zynde de vlerkjes met fwarte ftreepjes geteekent> 
ook is 't lyf, de oogen en pootjes fwart, zynde over dag zeer fnel van vlugt. 



L X X X V L 

Bloeyend Cypergras. Gramen Cyperoides, 

DEze donker bruine Rups heb ik in 't Gras gevonden , en daar mede gevoed tot in 't laatft van 
Augufti, wanneer ze een wit gefpin maakte, fchoof haare huid af, en veranderde ineen ligt 
bruine Pop. In deze gedaante bleef ze ftil leggen tot des volgenden jaars , in 't midden van Juni 
kwam daar een bruin Uiltjen uit, hebbende geelagtige hoorntjes en pootjes, fwarte oogen, en fwar- 
te ftreepen langs de vlerken. 



De oude Kruydkcnncrs hebben deze Plant geplaatft onder de maar de aêren die onder aan zyn, dragen eenige korrels ende en 
foorten van Gras, maar de Heer Tournefort heeft 'er een afge- bloeijen niet : Deze korrels komen voort onder de fchubbendie 
zondert geflagt van gemaakt. Haare bladeren zyn anderhalf de aêren te zamen flellcn. Zy zyn driehoekkig en yder beflo- 
voet hoog, vry breed en hol , haar ftam fchiet dikwils op ter ten in een vleesagtig doosje. De wortels zyn vry dik, knobbel- 
hoogte van drie voet, zonder knobbels, dragende op haare top- agtig, gelykende na die van de lange wilde Galigam : Zy zyn 
enden fchelpagtige aêren, tufTchen dewelke eenige ros- vezelige voorzien met eenige vezelen, 
bloemen zyn vaftgehegt : haare bloemen laaten niets na haar j 



XXXXVI 




LXXXVII 




L XXXVIII 



IvKXXIX 





EUROPISCHE INSECTEN. 



4j 



L X X X V I L 



Röode Willige. 



S alias <vulgaris mhenï'n F o lm. 



ON der op éen groen blad word de Liefhebbers wederom eene der fchoonfte Rupfen vertoont, 
zynde over 't geheele Iyf fchoon groen , met witte {tipjes , en op ieder lit met een fchuinfe 
witte ftreep geeierd , heeft ook op 't agterfte lit een hoorn ; ze wierd my vereerd van een Adelyke 
Dame, zynde beneffens deze fpeculatie ook een Liefhebberes der Schilderkonft. Deze Rups had 
haar volkomen wasdom, dat ik naauwlyks zoo veel tyd had om ze te fehilderen, dewyl ze overging 
tot haarè verandering, fchoof haar vel af, en wierd een Popje; in deze geftalte bleef ze ftil leggen 
tot des volgenden jaars , in 't laatft van Mai kwam daar een heel fchoon Uiltje uit, welker kop, 
lyf en bovenfte vlerken waren bruin, wit, geel en fwart gefigureert, de onderfte vlerken waren ge- 
gierd met twee groote oogen , welker middelpunt fwart en met een blaauWe kring omtrokken j ook 
na boven ligt bruin, en na onderen Rofenverwig waren, verder had ze fwarte oogjes, donker of 
flets geele hoorntjes en pootjes: Deze foort heb ik voor of na niet meer gezien. 

Boven op een groen blad zit een klein ligt groen met witte ftreepen geeierd Rupsje, zynde zeer 
gaauw; ze geneeren zig op de Willige, en fpinnen ettelyke bladeren tot malkander ■> daar in ze ge- 
lykfaam woonèn , in 't laatft van Juni veranderen ze in bruine Popjes , na veertien dagen komen 
daar asgraauwe met witte gecierde Uiltjes uit, zynde heel gaaüw van vlugt. 

In 't°jaar 1690. in Vriesland zynde, vond ik in 't begin van September een Rups, vaft zynde 
aan een rysje, met de rug onderwaards, waar aan drie bruine harde 1 onnetjes vaft waren > ook kro- 
pen noch ettelyke Maden uit de rug van de Rups > die, eenige dagen gefpönnen hebbende, gelyk 
katoen, veranderden mede in zulke bruine Tonnetjes; de Rups geftorven zynde, nam ik de Ton- 
netjes en bewaarde ze tot des volgenden voorjaars, wanneer daar uit zulke kleine Vliegen kwamen > 
gelyk twee derzelver alhier verbeeld worden. 



1 X X 



1 i u 



Veld-krüis-diftcl. 



Eryngium campeftre* 



ZUlk foort van fwarte Rupfen, gelyk onder op een groen blad zit, vind men een meenigte op 
de Brandenetelen Dewyl ik de Brandenetelen in 't begin van dit Werk aireede verbeeld heb, 
zo zal ik deze Diftelbloem om haare fchoonheid alhier plaatlen. 

Deze Rupfen nu gaan tot haare veraridering in 't laatft van Juni, makende zich van achteren 
vaft, hangen 't onderfte boven, en worden bruin als Goudglanfige Popjes; na veertien dagen komen 
daar uit fchoone Kapelletjes, welker onderfte vlerkjes zyn donker bruin, en de bovenfte wat ligter* 
met witte plekjes gemarmert, zynde 't lyf fwart, de hoorntjes wit gefpikkelt , de pootjes graauw, 
en fnel van vlugt. 

Nog zit onder vry een kleine groene Rups met een geele kop , deze vind men mede op de Bran- 
denetelen, welker bladeren ze in malkander rollen, en nemen daar in haar toevlugt , ook verande- 
ren ze daar in in bruine Popjes ; na veertien dagen komen daar kleine ligt bruine fwart geftreepte 
Uiltjes uit. Zommige dezer Rupfen leggen zig neder en fterven , waar uit dan zeer veel kleine 
Maden voortkomen * na korten tyd veranderen ze iri Tonnetjes , na tien a twaalf dagen komen daar 
uit kleine Vliegjes , die fwart zyn. 



De (tam van deze Plant groeit ter hoogte vah anderhalve 
voet, zynde rond, gegroefc, vervult met een wit raerg, ver- 
deeld na zyn uiteinde in verfcheide takken. Haare bladeren zyn 
breed en diep ingefneden, doornagiig, hard en by beurtwifle- 
ling gefchaart op haar itam. De topenden van de (lammen zyn 
beladen met een groot getal ftekelagtige hoofden , waar van de 
grond is een Kroon van kleine lpirfe en {tekende bladeren, na- 
Kientlyk aan haare randen. Deze hootden onderfteünen eenige 



witte bloemen van vyf na beneden gaande blaadjes, geformeert 
als een Roos. Wanneer de bloemen zyn verdweenen , zoo vol- 
gen daar op eyronde korrels. Haarwortel is zeer lang, dik, 
gelyk als een vinger en wit. Cefalpinus vermeent dat men 'op 
deze Plant geen bloem gewaar word. Dodorasus verzekert dat 
deze Bloem blaauw is, en zelden geel : maar de Heer Tourne- 
fort heeft ze aangemerkt als vyf witagtige na beneden hangende 
Bloempjes. 



M 



4* 



EUROPISCHE INSECTEN. 



L % X X I X. 



Jonge Kool. 



Brafflca *vindis. 



r Anneer deze Plant jong is, word ze greetig verteert van een grasgroene Rups, hebbende een 
geele ftreep langs de rug, en op beide zyden van eider lit een geel ftipje; volwaflen zynde, 
fchuiven ze 't vel af , hangen zig elders , en veranderen in flets bruine fwart geflipte Popjes 5 na 
veertien dagen komen daar uit een foort van Witjes, zynde kleinder als die ik hier voorgetoont heb. 

In AuguTli heb ik ook wel kleine Rupsjes op de Kool gevonden, zynde mede groen met een gee- 
le ftreep over de rug geteekent , hebbende aan elk lit twee voetjes ; deze veranderen in Popjes , niet 
veel van de Rups verfchillende : na tien dagen kwamen daar Vliegen uit, welker lyf fwart en wit 
geplekt was, hebbende roode oogen en zes geele pootjes, zynde traag van vlugt. 



X C* 



Wilde Zuuring;. 



Ac et o fa praïenfis jjorens. 



P dit Kruit vind men een fwarte, rood en wit geplekte ruige Rups, zynde't hair, de kop, de 
' zes voorfte klaauwtjes en acht voetjes ligt bruin ; tot haar volkomene groote gekomen zynde 
leggen ze zig elders met een bogt, worden ligt van koleur en veranderen in een ligtbruine Pop, 
zommige bleven aldus drie maanden, en ettelyke tot des volgenden jaars in April leggen, wanneer 
daar uit een gering Uiltje te voorfchyn kwam, welker lyf en onderfte vlerkjes geel, de kop en bo- 
venfte vlerkjes, hoorntjes en pootjes bruin fwart en gefpikkelt waren, zynde haar vlugt's avonds. 



Deze Plant is dczdve dewelke Johannes Bauhinus Oxalis vul- 
garh, folio longoy noemt, en Tabernemontanus Oxalis ovina% en 
üe Heer Tournefort Oxalis arienfis lanceolata. Haare bladeren 
zyn klein, hebbende de gedaante van een Speer, groen, blin- 
kende, opgevuld met een fuur of fcherp fap. Haare bloemen 
zyn klein, voorzien met verfcheide vezelen , vaftgehegtaanhet 



onderfte van de kelk, geplaatft als op twee ryen, drie aan dric£ 
Als haare bloemen zyn afgevallen zoo volgen daar op driekante 
Zaden, roodagtig, omvlegt van een doosje. Haarwortel kruipt 
langs de aarde, hairagtig, vezelagtig, rood, gevende aan de 
Garitendrank een Wynkolëur. Deze Plant fchynt op de grond 
zeer rood, voornamentlyk als haare zaden ryp zyn. 



xc 



XCI 






XCII 



XCIII 





ÈUROPISCHE INSECTEN. 47 

X C L 
Bmndenetelbladercil Vrtic&urentis fofia. 

Hier worden verbeeld drie Rupfen, die wei van ëenerlei aart, dog van koleurverfchillende zyri, 
de bovenfte op een groen blad zittende is in 't geheel fwart, met witte glantfïge ftipjes boven 
de wortel van het hair , en onder langs beide zyden met een geele ftreep geeiert ; na dat ik ze ge- 
voed had tot iri 't midden van September, veranderde ze 't onderfte boven hangende in een bruine 
Pop , na veertien dagen kwam daar uit een Kapelletje , die in fchoonheid alle andere overtreft , zyn- 
de't lyf, kop, hoorntjes en pootjes donker bruin, de bovenfte vlerken fwart en donker bruin, mei: 
een breede vermelioen roode ftreep, blaauwe en witte plekjes geteekent, de onderfte vlerkjes zyn on- 
gemeen fchoon , met. veel klein cieraad van alderlei kóleur door malkander vereierd. 

De aan de regter zyde onder deze zittende Rups, zynde 't lyf ligt geel, de kop bruin, de klaauw- 
tjes en voetjes vleeskoleur, veranderde mede op de voorige wyze in een bruine Pop, waar uit 
ook na verloop van veertien dagen zulk een Kapelletje voortkwam , als boven. 

De derde röndgebogte Rups was eerft fwart, dog veranderde haar koleur, wierd bruin en leide 
zig met een ronde bogt neer, waar uit na korten tyd veele kleine Maden kroopen, die zig in een 
fponnen, en veranderden in Tonnetjes, na twaalf dagen kwam uit elk een fwart Vliegje, mede 
hier vertoond. 

Op 't onderfte blad zit nog een bruin ruig Rupsje, welkers rug en önderlyf rood wasj aange- 
raakt zynde rolt het zig in malkander als een klootje 5 in 't laaeft van Mai leid het zig gebogt 
neer, bleef aldus leggen tot half Juni, wanneer daar een Vlieg uit kwam, welker kop , lyf eri 
hoorntjes fwart, de vier vlerkjes doorfchynend , en de pootjes geel waren, hebbende op 't achter* 
lyf een geele plek. 



t g i i. 

Viasblöeni. Lwumjloreiïs. 

Dit Gewas verftrekt tot voedfel van een groënagtige bruine Rups , zynde onder ligtgroen , eh 
onder langs beide zyden met een witte ftreep geteekent, hebbende voor Zes klaauwtjes, in 
de midden acht, en achter nog twee voetjes. In 't begin ven Augufti fchoof ze haare huid af, 
en veranderde in een glantfige Pop ; des volgenden jaars in 't laatft van Mai kwam daar een asgraau- 
we Uil uit, welker vlerkjes fwart versierd waren, hebbende fwarte oogen, haare vlugt was s'avonds 



De flarn van déze Plant is gemeenlyk ontrent twee voeten knikt als een Nagelbloem en onderïleunt door een kelk met 

hoog, hol, rond, dun, takagtig na haare topenden : haar balt verfcheide bladeren. Deze bloem verdwenen zynde, komt 'er 

is vol draadjes, dewelke dienen om daar van zeer fyn Linden te een Vrugt van de dikte als een kleine Erwt te voorfchyn, zynde 

maken. Haare bladeren zyn langwerpig, fpits , fmal , byna byna rond en fpits toeloopende, in zig behellende tien vleessg- 

altyd beurtsgewyze geplaadt langs haar ltam- Haar bloemen tige doosjes, en tien laugwerpige, platte en gladde zaden ,zagc 

groeijen op de uiterite topenden, zynde blaauw, en ieder van in het aanraken , roodagtig van koleur, blinkende, vol van 

haar te famen geftelt uit vyf na beneden hangende blaadjes, ge- merg of oliagtige iubftantie. Haare wortels zyn klein en dun. 

M i 



4 8 



EUROPISCHE INSECTEN. 



X C I I L 

Kleine Wegerik , of Weg Gras. Centumnodia 3 fwe Tolygonum florens. 

TEr linkerhand zit een bruine Rups, zynde van onderen graauw, heeft voor zes klaauwtjes , m 
de midden acht, en achter noch twee voetjes, ze veranderde op 't laatft van Juli in een ligt 
bruine Pop , in de midden van Augufti kwam daar uit een fwart geftreept Uiltje , welker vlugt was 
3 s avonds. 

Nog legt onder ter regterhand een groene Rups , zynde langs 't lyf met drie geele ftreepen en 
veel fwarte plekjes gecierd; ik heb ze met dit Kruid gevoed tot in 't laatft van Juni, wanneer zeftil 
bleef leggen, na veertien dagen kroopen daar uit vier en dertig kleine witte Maden, die verander- 
den na weinig tyds in Tonnetjes, waar uit in 't laatft van Juli zoo veel fwarte Vliegjes kwamen. 

Een andere Rups dezer aard leide zig ftil neer , waar uit een groote witte Worm kroop , deze ver- 
anderde in een bruin Tonnetje , na weinig tyds kwam daar uit een groote bruine fwart geftreepte 
Vlieg te voorfchyn. 

Boven op dit Kruid zit een geele bruin geftreepte Rups, zynde voor met zes klaauwtjes, en ach- 
ter met twee voetjes voorzien, daarom maakte ze met het lyf een hooge bogt in 't gaan; met dit 
kruid gevoed zynde tot in 't laatft van Juli, veranderde ze in een bruine Pop, waar uit in Septem* 
ber een wit met roode en bruine ftreepen geciert Uiltje kwam, zynde zeer rad van vlugt. 



De Heer Tournefort noemt deze Plant Polygonum latifolium^ 
Rai en Dodonasus Polygonum mat. Zy brengt verfcheide ftam- 
men voort, zomtyds regt opgaande, dog meeften tyd op de 
grond nederleggende, een voet of anderhalf voet lang, buig- 
zaam , dun , rond , hebbende veel quaften die vry digt by el- 
kander ffcaan , omkleed met bladeren die beurtsgewyze gefchaart 
zyn, zynde langwerpig, fmal, <pits en vaitgehegt aan zeer 
korte fteelen. Yder van haare bloemen zyn te famen gefield 



uit vyf vezelen, onderfteunt door een kelk, gemeden als een 
tregtcr. Zy komen voor den dag uit de holligheden van de 
bladeren. Wanneer de bloem vergaan is komt 'er een driehoekig 
zaad te voorfchyn, bruin van koleur, befloten in een doosje, 
die de bloem verflrekt heeft voor een kelk. Haar wortel is 
lang, enkeld, houtagtig, voorzien van verfcheide vezelen, 
zeer vaft gehegt aan de grond. 



X Cl V. 



Sleebloffèm. 



Ac ach Germanica flos. 



DEze onderfte korte dikke Rups was groen, met bruine plekken geteekent, hebbende voor zes 
klaauwtjes, in de midden acht, en achter nog twee voetjes; haar gang was zeer traag, rek- 
kende 't voorlyf een wyl om hoog , en fwaait daar mede heen en weer, tot dat ze een weg kieftj 
van deze bladeren gevoed zynde, maakte ze zich tegen 't dekfel van de doos vaft, en veranderde 
in 't midden van Augufti in een vaalgeek Pop , hangende 't onderfte boven : in deze gedaante bleef 
ze tot des volgenden jaars , wanneer den negenden Mai een fchoone Kapel te voorfchyn kwam , 
zynde geel, de vlerken fwart geftreept, de onderfte vlerken met orange en blaauwe vlakken, ook 
met twee lange achteruitgaande punten geciert. 

Nog vind men op deze ftruik een foort van kleine ligtgeele en graauwe fwart geftipte Rupsjes, 
met fwarte kopjes en voeten, deze maken een groot eil gefpin , gelyk een Spinneweb, daar ze uit 
en in loopen: ze veranderen in 't laatft van Mai in Popjes van verfcheide koleur, waar uit in Juni 
kleine Uiltjes voortkomen , welker bovenfte vlerkjes wit met fwarte ftipjes , de onderfte vlerkjes , '£ 
lyf, de hoorntjes en pootjes graauw van koleur zyn. 



XCIV 



xcv 





XCVI 



XCVII 





EUROPISCHE INSECTEN. 45? 

X C V. 
Bloeyend Duivels- wargaarn. Convolvulus major , flore albd é 

OP dit weelderig Groen geneert zig deze groote Rups, haarc koleur is over 't geheele lyf ligt 
groen, als ook haar klaauwtjes en voetjes: in 't midden van juli fpinnen ze zig in een blad, 
en veranderen in bruine Popjes; in 't begin van Augufti komen daar zulke Uiltjes uit, gelyk boven 
op een Bloem vertoond word , zynde asgraauw donker bruin gefigureerd, haarevlugt is 's avonds. 

Ter linkerhand boven op een knop zit nog een klein ligt groen Rupsje, welke zig mede op dit 
Gewas geneert, ik heb ze gevoed tot in Augufti, wanneer ze zig veranderde in een Roofenkoleurd 
Popje, na veertien dagen kwam daar zulk een vliegend Beesje uit, gelyk ter linker zyde op de 
Bloem verbeeld is, hebbende agter twee lange en voor vier korte pootjes, zynde ligtgraauw van 
koleur. 



Géfalpinus heeft gelooft dat de wortel van deze Plant alle jaaren verging, maar het is zeker dat ze levendig blyft. 



X C V L 

Roode Willige Blofïem. Salix rubra florens. 

ZUlk een groene Rups heb ik in Juli op deze Boom gevonden, die zig, zo dra ik ze t'huis 
bragt, in een dezer bladeren fpon, en veranderde in een donkerbruine Pop; in 't begin van 
Augufti kwam daar een Uiltje uit, zynde ligt flets bruin, de vlerken donker geit reept, vliegende 
s'avonds. 

In 't midden van dit Struikje op een fteel vertoond zig een ander klein Rupsje , ik heb ze met 
deze bladeren gevoed tot in 't midden van juni, wanneer ze veraneerde in een Popje of Tonnetje, 
na dat dit acht dagen aldus had gelegen, begon het continueel te tikken, gelyk een Zak-horlogie 5 
in 't begin van Juli kwam daar een Vlieg uit, welker lyf, kop en hoorntjes fwart, de twee vlerkjes 
doorfigtig en de zes pootjes geel waren. 



N 



5° 



EUROPISCHE INSECTEN. 



X C V I I. 



Hoog;roode Anemone. 



Anemone flor e coccineo. 



Eze fchoone Bloem heb ik om haarc zeldfaamheid alhier verbeeld, maar het regtevoedfel de- 
zer Rupfen zyn de Brandenetelen, deze Rupfen zyn wel eenderlei aard, hoewel ze onder- 
Icheiden van koleur zyn , zynde de eene ligt groen , en de andere bruin , beide met witte en fwarte 
ftreepjes fchoon gegierd j ik heb 'er eenige gevoed tot in 't begin van September, wanneer fommige een 
wit gefpin maakten, en veranderden in bruine Popjes, andere leiden zig ftil neer, wierden bruin en 
krompen op in twee onderfcheidene deeltjes, waar uit na weinig tyds twee witte Maden kroopen, 
die veranderden in Tonnetjes, en daar uit kwamen weer twee blaauwe Vliegen met roode koppen j 
de Popjes bleven leggen tot des volgenden jaars , in Februari kwamen daar uit graauwe en ook brui- 
ne wit en fwart gecierde Uiltjes, die haare vlugt mede 's avonds maakten. 



De Anemone, andeifints Anemiafie, doet uit haare wortelen 
t'oorcfchieten eenige byna ronde bladeren, gelykende na die van 
de Renunklen, zeer diep ingekorven, vaftgehegt aan eenige 
fteelljes. Uit het midden van deze bladeren klimmen eenige 
{lammetjes na om hoog, tot ontrent het midden, zynde ontrent 
deze plaats voorzien met drie bladeren geformeert als een rabat. 
Yder van deze Hammen onderÜeunen een fchoone, breede ron- 
de bloem als een Roos, rood van koleur, zomtyds versierd met 
een kuif, die men zegt een fluweele ztgtigheid te hebben, als 



een Klapper Roos. Wanneer deze bloem is afgevallen , zoo 
komt 'er de meeften tyd te voorfchyn een langwerpige Vrugt, 
in zig bevattende een pit in zich hebbende verfcheide zaden, 
zynde yder der zelve gemeenlyk overtrokken mee een pluisagtig 
kapje. Haar wortel is knobbelig en quaftig , uitgezonden die 
van de Virginie en de derde van Mathiole, dewelke voorzien is 
met vezelen. Daar zyn 'er die geel, wit, purper, lyfverwig, 
biaauw, paars, en andere die van verfcheide kolcuren zyn, de- 
welke men gemeenlyk bonte Anemiaffen noemt. 



X C V I I I. 



Cyc Urnen flor e purpureo. 



1 En bruine Rups, zynde van onderen groen, hebbende voor zes klaauwtjes, in de midden acht, 
f en achter nog twee voetjes, nadat ik ze met Lattou gevoed had tot in 't laatft van Augufti, 
veranderde ze in een bruine Pop ; in September kwam daar uit een bruin fwart gegierd Uiltje met 
fwarte oogen ; haar vlugt was 's avonds. 

Onder ter regterhand vertoond zig een Kars, aan welkers blad wyd een klein lang geelagtig 
groen Rupsje, hebbende voor zes klaauwtjes , en agter twee voetjes ; met deze groene KarfTebla- 
deren heb ik ze gevoed tot in 't laatft van Juli, wanneer ze een wit gefpin maakte, en verander- 
de in een bruin Popje, na veertien dagen kwam daar een Uiltje uit, welkers onderfte vlerkjes bruin, 
en de bovenfte en het lyf ligt groen met witte plekjes en bruine ftipjes gecierd waren , 't was fnel 
van vlugt over dag. Dit Bloemgewas heb ik tot plaifier voor de Liefhebbers hier by gevoegt. 



Deze Plant brengt uit het punt van zyn knobbelagtige wor- 
tel voort eenige byna ronde en breede bladeren, alleen aan eene 
fteel, van een donker bruine koleur, van boven gemarmert en 
van beneden purperagtig. Haare bloemen zyn van een purperc 
koleur, van een goede reuk, gedragen op lange tedere fteel- 
tjes. Zy zyn aan haar benedenile gedeelte gefneden op de wy- 
ze als een bloempot , en het bovenlte gedeelte van deze bloem- 



pot is in vyf gedeeltes ingekorven. Op haar volgt een kloots- 
wyze en vleesagtige Vrugt, dewelke zig opent in verfcheide 
gedeeltens , en in zig begrypt eenige ongeregelde zaden. Haar 
wortel is rond of bolrond, van buiten van een donkere koleur, 
van binnen wit, en aan haar benedenfte gedeelte voorzien mee 
eenige kleine fwartagtige vezelen. 



XCVIII 




xcix 








EUROPISCHE INSECTEN. 



5 l 



Hazen Lattauvv. 



X' c I X. 



Sonchus Uvts. 



OP dit groen geneert zig een Rups, welker bovenlyf asgraauw, langs heen bruin geftreept, na 
beneden wie geplekt, en van onderen vleeskoleur was; in \ einde van Juli veranderde ze in 
een ligt bruine Pop , in deze geftake bleef ze leggen tot des volgenden jaars in Juni, wanneer een 
geelagtig groen fwart gecierd Uiltje daar uit te voorfchyn kwam, zynde rad van vlugt , do? maar 
's avonds. 



Deze Plant is dezelve, dewelke Cafparus Bauhinus Sonchus 
JavtSy laciniatus , latifolius> Johannes Bauhinus Sonchus minus la' 
ciniofuSf mitior five minus fptnofus , en Dodona:us Sonchus l<evis 
noemen. Zy heeft een kleine gevezelde en witte wortel: haar 
Ham groeit een elle hoog, hol van binnen, teeder, van een 
purpere koleur, haare bladeren zyn lang, glad, byna groen, 
ingekorven als die van een Leeuwen Tand, tandswyze bybeurt- 
wiflelinge gefchaart, eenige vaitgehegt aan lange iteelen, de 



andere Zonder fteel, en omvattende de (lam ontrent haar bene- 

denitevoet, dewelke breeder is als het overige van het blad. 
Haare bloemen komen voort op de topenden van de takken, by 
Wyze van Ruikertjes, als halve geele loofiyeikjesj veel kkinder 
als die van de tand van de Leeuw. Wanneer deze bloemen 
verdweenen zyn , Zoo word haar kelk een Vrugt geformeerc 
als eeu Kegel, dewelke in zig bevat eenige kleine langwerpige 
zaden, ieder voorzien mee een kuyfje. 



C> 



Gemcene DiÖel. 



Cardutts <üulgari$ florens* 



BOven aan de fteel dezer Bloem zit een korte dikke Worm óf Rups , dit Gewas is wel niet haare 
fpyze , maar ze bedienen zig van zulke kleine diertjes , die zig veel op deze Diftel onthouden; 
ik heb bevonden dat ze in Juli veranderden in bruine Tonnetjes, gelyk zulk een open zynde op een 
groen blad vertoont word, na tien dagen kwam daar een geele Vlieg uit, hebbende roode oogen, 
agter de kop een groene plek, en 't lyf met fwarte ftreepen gecierd, de vlerken zynde doorzigug, 
ieder met een fwart rond plekje geteekent. 

Onder ter regterhand leid een Worm, zynde 't lyf van koleur gelyk een Kaasmade, de oogenen 
't achterfte lit bruin, deze, als ook zulke bruine Tonnetjes, heb ik in Februari gevonden in een 
(tuk rottig Berkenhout, uit deze Tonnetjes kwamen in Maieen ibort van fwarte geel geftreepte Wes- 
pen te voorfchyn, hebbende vier doorzigtige vlerken, fwarte hoorntjes en geele pooten. 

Nog leid onder ter linkerhand een kleine Worm , meede van koleur als een Made , welke ik van 
gelyken in verrot hout gevonden heb, ze veranderen in bruine Tonnetjes, waar uit ook in Mai 
zulke bruine Torretjes kwamen , gelyk bezeiden de Worm verbeeld is. 



Deze Plant brengt voort een ftam van vier of vyf voeten hoog, 
bekleed met een lbort van wit katoen , zynde zeer netelig. Haar 
bladeren zyn breed , bogtig, doornagtig, overtrokken als met 
een wit katoen , beurtswyze gefchaart. Haare uiteifte topenden 
zyn versiert met ruwe hoofden, dewelke eenige Ruikertjes als 



lofwerken onderfchragen , dewelke van boven uitgeftrekt en 
ingekorven zyn als inoertjes. Als deze gelofwerkte Ruikertjes 
verdwenen zyn, zoo volgen daar op eenige korrels^oorzien van 
een kuifje. Haar wortel is teeder, wit en zoeugtig. 



N i 



} z EUROPISC HE INSECTEN. 



C I. 

P deze Lauwerkrans heb ik de verandering van de Mieren geftelt, zoo als dezelve zich in een 
\J langwerpig rond ey infpinnen, welke eyeren men aan de Canaryvogels te eeten geeft. Wan- 
neer de eyeren ryp zyn, zoo komen 'er kleine en groote Vliegen uit , die ik in groote meenigte 
heb zien uitkomen, gelyk op de Lauwerkrans te zien is. Den vyf en twintigfte juli 1694. bequam 
ik een ganfch Neft van deze Diertjes, beftaande uit veele duizenden, zoo groote als kleine, van 
alderhande foorten , zonder en met vleugels, ook zoodanige, die eerft uit haare eyeren kroopen, 
wanneer ze 't wys wierden van te konnen vliegen : waar uit ik genoegfaam zien konde , dat ze ver- 
anderen als de Rupïen. Ik heb ze derhalven hier ter neer geftelt, om met Salomon haare deugden 
na te fpeuren. 

Hierby heb ik op een klein groen Malva blad geplaaft: den Koning der Mieren, zoo als ze in 
'Ooftindien genoemt word : wiens achterde gedeelte van 't lyf gelyk een groote weeke witachtige 
Worm is. 



C I I. 

Jerufalems - Bloem. Flos Bier ofolymit mus. 

VAn de Rupfen op deze Bloem heb ik 'er vyftien gehad, en ze met deeze Bloemen gevoed.' 
Maar wanneer ik haar eens vergeeten had eeten te geeven , hebben ze malkanderen opgege- 
ten, tot op drie die overbleeven; deeze wierden den achtfte September tot Poppetjes, en 't volgen- 
de jaar in de maand van Mai kwamen 'er loodanige graauwe Uiltjes uit, gelyk hier te fien zyn. 



De Flos -Hierofolymitanus , by andere genoemt crtücus of creceus, de Zonnefchermen, ieder van haare bloemen zyn te famen ge- 
is dezelve Plant, dewelke Johannes Bauhinus en Rai genoemt ftelt uit verfcheide blaadjes, die gefchakeert zyn als een Nagel- 
hebben Flos Conftantlnopolitanus mimatus, albus tfvarius, enCaf- bloem, de meeften tyd tot meer als over de helft voorzien mee 
parus Bauhinus, Pit. Tournefort en na haar de Heer Bocrhaave twee of drie punten , dewelke gevoegt by die van de andere 
Lychnh Hirfata, fiore coccineo major. Daar komen uit haar wor- bladeren, een kroon formeeren. Wanneer deze bloem verwelkt 
tel voort verfcheide {lammen van drie voeten hoog, dun, hol, is, zoo komt in haar plaats een kleine groene Vrugt, gehairt, 
gehaiit. Haare bladeren zyn langwerpig, redelyk breed, fpits van een hegelagtigc gedaante, dewelke in haar bevat een groo- 
tocloopende , omvattende haar ftatn by de voet , hairagtig,ruuw, te meenigte van zaden , byna rond en ros. Haare wortelen zyn 
en van een donker groene koleur : de bloemen zyn gefchikt als lang, dun, verdeelt, en een weinig fcherp van fmaak. 



Cl 



CII 





CIII. 



CIV 





EUROPISCHE INSECTEN. 



53 



C I I I. 



Nachtfchade. 



Solarium vel Solatrum* 



Dit Kruid is de fpyfe van het groene Rupsje , dat by de Beffen kruipt ; het wierd den tienden 
Juni tot een Poppetje, en den vyf en twintigften dito kwam 'er een hout-koleurd Kapelletje 
uit, dat heel fnel konde vliegen. 

Hier tegen over is een fwart Rupsje, dat op de fteel kruipt ; wanneer dit zyne huid afgeftroopt 
had, wierd het groen: ik fpysde het eerft met witte Vlier, maar bekwam daar door geene verande- 
ring'; eindelyk gaf ik het dit Kruid te eeten, en wanneer* het zich een wit gefpin gemaakt hadde, 
bekwam ik zulke geele Vliegen daar uit, gelyk hier alles by malkanderen te zien is. 



Deze is dezelve Plant , dewelke Cafpartis Bauhinus noemt 
Soianum Officimrum, acinis nigrïcantibus , en Parkinlon Solanum 
vu'gare. Cordus en Johannes Bauhinus hebben de bloem van 
deze Plant aangezien voor een bloem met vyf blaadjes, maar de 
HeerTournefort meend dat ze maar uit een enkeld itukbeftaat. 
Men gelooft gemeenlyk dat het zaad van de Nagtfchade, die 
een fwane vrugt voortbrengt, brengt ook voort die geene, die 
een roode en geele vrugt hebben, dog de ondervinding doet ons 
het tegendeel bevinden. De Nagtlchade, die hier verheelt 
word, bragr voort een flam van ontrent een voet of anderhalf 
hoog, ter dikte van drie linien, groenagtig, vol van eenmerg- 
agtig fap, wrang en hoekagtig, gemeenlyk verdeelt in verfchei- 
de takken over denegen duimen lang, aan haare zyden uitge- 
breid en fomtyds na beneden gebogen, voorzien met bladeren, 
die beurtswyze gefchikt zyn, dewelke beginnende met een 
fteeltje van ontrent een half duim lang, zig verwyden tot an- 
derhalf duim toe over de langte van twee duimen. Zy zyn 
fpits, veel eer gevlamt als uitgegroeft, donker bruin , glinfte- 
rende en glad. Het zuiltje verlangt zig na de wyze van een 
rib, waar van de zenuwagtige draadjes zig krommen, en eindi- 
gen op de uiterfte randen van de bladeren , die gene, die op de 
verdeeling der takken zyn , zyn tot haar toppunt al kleinder, 
ronder en fpitfer toelopende, waar van de vezelen hoekjes heb- 
ben, dewelke gefpitft in twee of drie draadjes eindigen op de 
randen van de bladeren. De bloemen fpruuen gemeenlyk niet 
voort uit de holligheden van de bladeren, gelyk als in 't meefte 
gedeelte der andere Planten, maar uit de takken zdfs een weinig 



beneden de bladeren. Deze bloemen komen van vyf tot agtïn 
't getal voort, op een ruiker van anderhalf duim lang, waarvan 
de zuiltjes zyn dun en lang, met vier of vyf linien. Yder bloem 
is wit, hebbende een enkelde zuil , gefneden als een bekken, 
van demiddellyn is hy breed drie linien en een half,doorgeboort 
tot op de grond toe, alwaar ze geheel geel is, en gelyk als 
eindigende op de wyze als een ring, verdeeld tot aan de midden 
toe in vyfdeelen, lang, puntig en gefchikt als een ftar. Na 
de zyden van de grond van de bloem verheffen zig eenige zetr 
korte vezelen, waar van yder beladen is met een geele, fmalle 
flofagtige top, hebbende de langte van anderhalf linie. Alle 
deze topenden zyn by malkander te famen gevoegt en verbergen 
de bodem van het zuiltje, waar van het benedenlte byna rond , 
bleekgroen ,fchietende in de middellyn van de bloem ende inge- 
plant in de bodem van de kelk. Deze kelk is een kleine groen- 
agtige tregteren gefneden in vyf ftompe punten. Als de bloem 
verwelkt is, zoo word het onderfte van het zuiltje een kloots- 
wyze vrugt, redelykhard, terftond olyfgroen, daar na fwart , 
is wegens zyn middellyn ontrent dik vier linien, vol van een 
genoegfaam helder fap en van verfcheide witagtige zaden , ter 
langte van een koortje, gerond, plat, geboort met weinig 
groenagtig vlees, 't geen men ligtelyk daar van affcheid,rings- 
wyze gefchikt rondom de hoek, die in 't midden van de vrugt 
is, en die aan alle deze korrels het voedfel mede deeld. De wor- 
tel is een half voet lang, by den hals of by de kraag drie of vier 
linien dik, gevlamt, vezelagtig, hairagtig en wüagu'g. 



C I V. 



Sigmaarts-Kruid. 



Ak&a. 



Dit Kruid is de eigentlyke fpyze van deeze groene Rupfen; ik heb ze daar meede in 't leven be- 
houden tot in de maand Augufti, wanneer ze tot bruine Poppen wierden, en des volgenden 
jaars den een en twintigften Mai kwam 'er het eerfte Uiltje uit. 



Deze Plant verfchilt niet van de Maluwe, anderfints Keesjes 
Kruid nog van de witte Maluwe, als hier in, dat haare bla- 
deren zeer diep ingleden zyn. Daar van zyn verfcheide foor- 
ten. Deze, die Cafparus Bauhinus Alc<sa vulgaris major , flore 
ex riéro Hofeo noemt, brengt verfcheide Hammen voort van an- 
derhalf of twee voeten hoog, rond, mergagtig en hairagtig. 
Haare bladeren klimmen om hoog, zynde vaftgehegt aan lange 
fteelen, gehairt als die van de Maluwe, dog veel grooter, en 



zeer diep befneden invyf ofzesgedeeltens, hairagtig en donker 
groen. Haare bloemen zyn fchoon, van een purper of lyfko- 
leur. Haare zaden gelykennadie van de Maluwe, en aanry pende 
worden zy fwart. Haar wortel is een vinger lang. De befchry- 
vinge die Lobel en Dodonsus van de gedaante van deze Plant 
doen, is niet goed: men moet zig houden aan die van Taber- 
nemontanus. 



O 



H 



EUROPISCHE INSECT E 



C V. 



Cardinaals Bloem. 



Flos Cardinalis. 



( Tergelyke bruine Rupfen heb ik tot Amfterdam op zulke Bloemen gevonden, waar mede ik 
ze ook gevoed heb tot op den achtfte September i6qj. wanneer ze tot Popjes wierdennen des 
volgenden jaars.den vyf en twintigfte juni, kwamen 'er diergelyke Kapellen uit, gelyk alles hier in 
Print vertoont word. 



Deze Plant is, volgens het gevoelen van de Heer Rai dezel- 
ve als de Rapunculus galeatus Virginianus , flor e violaceo minor e van 
Morifon , en de Flos Cardinalis caruleus van Dodart. Zy brengt 
verfchcide ftammen voort van anderhalf voet hoog, hairagtig, 
dun, hoekagtig en ingegroeft. Haare bladeren zyn langs de 
fmalle ftammen beurtswyze gefchaart, zynde fpits, zonder fteel, 
doordrongen van een meikagtig fap. Haare bloemen komen 
voort uit de topenden van de takken op de lootjes. Vaft gchegt 



aan eenige lange zuiltjes. Yder van deze bloemen is volgens 
het gevoele van de Heer Tournefort een verwyderde klok en op 
de randen gemeenlyk gefneden in vyf gedceltens, van een pur- 
pereof blaauwe koleur, fomtyds wit, fteunende op een kelk., 
geklooft in vyf Hukken. Na dat deze bloem verdwenen is, zoo 
volgt daar op een vliefagtige vrugt, verdeelt in drie kamertjes, die 
eenige dunne en glinfterende zaden in zig bevatten, haare wor- 
tels zyn lang en dik gelyk als de agterfte vinger, en wit. 



C V L 



Wilde Wyngaard. 



Lairufi, 



ca. 



'Et kleine op de roode Beffen zittende Beesje heeft alleen het fap van deeze bladeren boven afge- 
_geten. Den negende Juni heeft het zyne koleur gantfeh verandert, gelyk op de fteel daar naaft 
te zien is. Den feventiende dito is het tot een Popje geworden ; den negen en twintigfte dito heeft 
het eene lichtere koleur, als meede eene andere gedaante gekreegen, en den fèvendejuli is een zoo- 
danig Oranje koleurt Torretje daar uit geworden, gelyk onderaan te zien is. 



• Men noemt ook deze Plant Fitis fylvejlris , zy brengt eenbog- 
tige ftam voort , dewelke verfchcide lange ranken uitfehiet, 
voorzien met omflingerende fteekjes. Deze Wyngaart ranken 
kruipen en hegten zig vaft aan de naafte boomen : haare blade- 
ren zyn groot, breed, byna rond , zeer diep ingefneden : haare 
bloemen zyn klein, geformeert als een Tros, en gemeenlyk te 



famengeftelt uit vyf fteekjes met blaadjes omzet, gefchaart als 
een Roos, hebbende vyf vefelagtige uitfpruitfels. Het eierneft 
't geen uit de bodem van de bloem voortkomt, verfchiet» met 
een korte en hairagtige buis, word een fagte Bes vervult met 
fap, die gemeenlyk in zig bevat vier zaden. Wanneer deze 
vrugt rypt,word ze fwart, maar fomtyds en wo r d ze niet ryp 



cv. 





CVI 



C VIII . 



C VII . 








E U R O P I S C H E INSECTEN. jj 

C V I I. 
Slee-boom of Wilde Pruime-boom. Spinus vetTrunus Syhcftris. 

VAn deeze Rupfen vond ik 'er veele by malkanderen die zeer klein waren , op een hegge van 
Slee-boomen, alwaar ze een groot gefpin gemaakt hadden. Des avonds ten feven uuren ver- 
gaderden zy alle by een, en kroopen zoo digt by malkanderen, dat men het voor een rond lapje 
iwart pluweel zoude hebben aangezien. Ik meed den gantfchen tak met alle bladeren en 't gefpin 
te famen af, en liet my dagelyksdiergelyke groene takjes brengen, die ik in verfch waater ftelde,om 
ze dagelyks te obferveeren. Des morgens ten negen uuren liepen ze alle tot hunne fpyze , en ver- 
volgens gezamentlyk aan haarën arbeid, die daarin beftond, om een huis voor zich te bouwen. Zy 
fponnen dan het eene vertrek boven het andere, en lieten tuflchen beide een vinger breed plaats, en 
van vooren eene opening, die foo groot was als de Rups noodig hadde, haar volkome groote heb- 
bende, om daar in te kunnen woonen. Wanneer de Zon heet begon te fchynen , kroopen zy alle 
in haare wooning, en bleeven daar in tot dat de grootfte hitte over was. Dit deden zy alle dagen , 
tot op den vier en twintigften Juni, wanneer ze begonnen zich in ovaal ronde eieren te fpinnen, 
waar in ze leggen bleeven tot op het andere jaar den fevenden Maart , als wanneer de Uiltjes voor 
den dag kwamen. 



C V I I ï. 
Winter-Roofen of Maluwe. Mafoa. 

HEt kleine groene en met witte ftreepjes vercierde Rupsje heeft deze fpys genooten tot op den 
eerden Juli, wanneer het tot een Popje wierd. Het was zeer gaauw in 't loopenj den een 
en twintigfte dito kwamen 'er zulke geele Kapelletjes uit. De groote Rups heeft mede de gemelde 
bloemen gegeeten ; hy lag heel veel ftil; maar wanneer hem maar 't kleinfte Diertje aanraakte, 
floeg hy om zich als of hy toornig was. Den derden Juli heeft hy de bladeren famen getrokken en 
zich daar in tot ruft begeven ; den agtiende Juni wierd hy tot een Popje en den fefliende Auguftus 
kwam 'er een fuik witagtig onruftig üiltjen uit. 



O 3 



5* 



OPISCHE INSECTEN. 



C I X. 



Akelei-bloem. 



Aquilegia, <vel Aquilina, 



' Et groene Rupsje gebruikte deeze Bloemen tot zyne fpyze ; den eerften Augufti hebben zich 
eenige in geele eieren gefponnen , en den agtiende dito kwamen 'er zulke fwarte Vliegen uit, 
gelyk alles aan de eene zyde van de Bloem te zien is 

Het bruin en witte Beesje met zes pooten , heeft tot zyne fpyze Luisjes gebruikt. Den tweede 
van Juni heeft het zich tot een rond wit ey gefponnen, en den twee en twintigfte dito kwamen 'er 
zulke lichtgroene vliegende Beesjes uit, gelyk 'er hier boven een opjiet zaat te zien is. 



Deze Plant beeft breede en {lompe bladeren, zynde rondom 
ingekorven en zeegroen van koleur, gelykende na die van hec 
Tyekruid. Zv brengt verfcheide dunne takken voort, dragen- 
de op den top van ydcr tak een nederwaarts hangende bloem, te 
famen geftelt uit tweederlei foorten van ftcelen, waar van vyf 
plit en vyf hol zyn, gelykende na een hoorntje, by beurtwii- 
feling doormengt met een roode koleur. Wanneer deze bloem 
verdwenen is komt 'er een vrugt te voorfchyn, re famengeftelt 
uic verfcheide vüesagtigc korrels, geichikt als een hooft, en 



vervult van dunne, eironde, platte, fwarte en blinkende zaden. 
Haar wortel is dikker als een duim, voorzien met vezelen, en 
wit. Coiumna en Cefalpinus hebben het ïarriengeftel van de 
bioem van deze Plant zoo wel niet gekent als Dodonasus; want 
deze twee Schryvers fpreeken niet als van de hoorntjes die haat- 
te famenflellcn: en Dodonajus befchryft, behalven de hoorn- 
tjes, ook de platte bladeren, die beurtswyfe tuflehende hoorn- 
tjes gepiaatft zyn. 



C X. 



Dove Netelen. 



Lamium <vel Galeopfis jlorens. 



ZOdanige groene Rupsjes , waar van 'er een op het groene blad kruipt , hebben dit Kruid tot 
hunne fpyfe genuttigt tot in de maand Augufti , als wanneer ze zich in witte eieren infponnen, 
zoo als 'er een onder op de fteel legt. Des anderen jaars, in Mai, zyn 'er zoodanige Vliegen uit- 
gekomen, gelyk 'er een boven de Rups gezien word. 

Het heele kleine Rupsje was geel van koleur, en verciert met roode ftreepjes: het gebruikte het 
zelve Kruid tot zyne fpyze. In 't begin van Juli heeft het zich tot een wit ei ingefponnen, en op 
den laatften dito kwam 'er dit kleine Kapelletje uit , gelyk op de bovenfte bloemen alles by malkan- 
deren gezien word. 



CIX 




ex. 




CXI. 



CXII. 





EUROPISCHE INSECTEN. 



57 



C X I. 



Fieus, 



Vygenboom. 

DEeze bruine Rupfen heb ik met Vygebladeren gevoed tot in de maand Augufti, wanneer ze 
zich in Popjes veranderden , en in de maand September kwamen 'er zulke bruine Uiltjes uit. 



Deeze is een boom van een middelmatige groote, haar flam 
iskortenkromagcig, uitgeftrekt in de breedte entakagtig: 
haar baft is effen en glad, dog een weinig ruuw, asgraauw van 
koleur: haar hout is wit en byna overal van binnen mergagtig, 
en fponsagtig als die van de Wyngaart, flymagtig en bequaam 
om 'er fchilden van te maaken. Het befluit in zig een famen- 
trekkende melk, van een bittere en fcherpe fmaak, dewelke 
zeer ligtelyk door aanrakinge te voorfchyn komt. De bladeren 
van haar zyn breed, ruuw en donkergroen, dik, ingefneden 
invyfdeelen of hoeken, evenals die van de Wyngaart blade- 
ren, dog ondertuiTchen veel grooter, ruuwer, harder en Twart- 
agtiger, zynde haar lteel rond en ileik, dewelke, als men die 



breekt, een melkagtige ftof van haar uitwerpt: in haar hollig- 
heden groeyen eenige vrugcen, een aan een , op de wyze als een 
Peer of Tol, in dewelke de Natuur op een geeftige : wyze de 
bloemen daar in heeft befloten, gelyk Valerius Cordus als de 
eerfte het heeft aangemerkt : en deze bloemen beftaan uit een Huk, 
dun, hol als een lepel» en lopende fpits toe als een naald, wie 
of roodagtig b Zy zyn yder te famen gevoegt met een zuiltje of 
een ontwerp van zaad. Wat belangt haare vrugteh, die zyn 
groenagtig of paarsagtig. Haare wortels zyn menigvuldig, lang, 
vaft, befwaarlyk om ze uit te rukken of te breeken, omringt 
met vezelen, geel van koleur, niet zeer diep in de grond , 'c 
welk de oorzaak is dat ze de koude niet wel kunnen uitftaan. 



C X IL 



Eidderfpoöresi. 



Confólida Regalis. 



DEeze Bloemen zyn de fpyze van deeze groene en witte Rupfen , welke zich den negen en twin- 
tigften Juni toe Poppetjes verandert hebben , den vyftienden Juli kwam 'er uit het eene een zul- 
ke groote Vlieg, die zich in het Popje tot een bruin ey gemaakt hadde,en den twintigfte dito kwam 
'er zulken bruinen Uiltjen uit. 

Voor dezen is van zodanige verandering verfcheidentlyk gefprooken , wat het doch eigentlykmochte 
zyn, dat 'er zoo groot een onderfcheid tuïïchen de Vlieg en het Uiltje is, en dat het niet wel we- 
ien konde, dat het eene van het mannelyke en het andere van het vrouwelyke Gedacht zoude zyn; 
maar eenige jaaren geleeden heb ik gezien , dat zich Vliegen op zulke Rupfen gefet hebben , en 
daar op lang zyn bly ven zitten , ook haar zaat in de Rups , tuffchen haare leeden hebben ingefcho- 
ten ; en terwylen zy het vleefch van de Rups tot fpys gebruikten , hebben zy zich daar in tot een 
bruin ey verandert > waar uit eindelyk een zoodanige Vlieg voortgekomen is. 



5* 



EUROPISCHE INSECTEN. 



C X I I I. 



Katte-kruid. 



Mentha felina vel Nepeta. 



A°- 1689. den vierentwintigfte Juni, heeft zich deeze groene Rups, na dat hy van dit Kruid ge- 
fpyft was, tot een fchoon Popje verandert, na dat hy veertien dagen ftïl geleegen haddej en 
den vyfde September is het tot een Uiltje geworden. 



Da Hortus Eufietenfis noemt deze Plant Mentha felina , Nepeta 
Tragi, Herba Felis & Cataria, Cafparus Bauhinus Mentha , Ca- 
taria vulgaris & major , Dodonasus Cataria herba, en de Heeren 
Tournefort en Boerhaave Cataria major viijgaris. Deze Plant 
heeft een ftam, die ontrent tot de hoogte van drie voeten op- 
klimt, vierkantig, gehairt en tackagtig. Haare bladeren zyn 
ook gehairt, witagtig vaftgehegt aan lange ftaerten , gelyken- 
de na de biaderen van de groote Brantnete! of na de Meliffe, 
aan haare randen ingckartelt , fpits, wolagtig , fcherp van fmaak , 



en fterker van reuk als die van de Kruiflèmund. De bloemen 
waflen op de toppen van de ftammen en takken. Zy zyn als 
een helm , geel of witagtig van koleur, en weder by een ge- 
bragt als een Air. Yder van deze bloemen is een buis, van boven 
ingcfneedengelyk als twee lippen, en onderfteunt door eenkelk, 
die gemaakt is op de wys als een hoorn. Haare zaden zyn ei- 
rond, haar wortel is houtagcig. De gedaante van deze Plant, 
zoo als ze Tragus verbeek /is zeer wanftaltig. 



C XI V. 

Maankoppen of Slaap-kruicUbloetn. 



Papaver florens. 



' Et bruine Wormtje boven op de knop , heeft de kleine Beesjes , die men Luisjes noemt, ge- 
_ geeten tot op den fes en twintigfte Augufti, als wanneer het zich tot een zoodanig Poppetje ge- 
maakt heeftj in de maand Juli zyn de andere zoo blyven leggen: eindelyk heb ik ze opgefneeden, 
en daar in zulke Vliegen gevonden , gelyk 'er op het groene blad te zien is. 

De fwarte en geele Rups heeft deeze Bloemen tot haare fpys gebruikt , tot op den fes en twintig- 
fte^-Augufti 1605. als wanneer ze tot een fwart Poppetje geworden is , en des volgenden jaars den 
negende Juni, kwam 'er een zoodanig Uiltje uit. 



Deze Plant brengt voort een ftam van drie of vier voeten 
hoog, takagtig, voorzien met lange bladeren, breed, beurts- 
wyze gefchaart, gekartek, gekruk en wicagtig. Op den top 
van deze ftam waflen groote bloemen , verzek met vier blade- 
ren, gefchikt na de wyze van een Roos, wit of wat trekkende 
na het purper, hebbende veel vezelen, onderfteunt dooreen 
kelk die twee bladeren heeft : maar deze bladeren van de kelk 
vallen gemeenlyk af na mate dat de bloem zig opent; wanneer 
de bloemen t'eenemaal verdweenen zyn, zoo volgt baareen 



hooft, zynde langwerpig of eirond, dik als een hoenderei, ge- 
kroont met een Hoofdftuk, in 't begin groenagtig, naderhand 
wit wordende na mate dat ze rypt of droog word. Zy bevat in 
haar holligheid, die in zoo veel kamertjes, als 'er groeven aan 
de kroon zyn, verdeelt is, veel kleine zaden die rond fchynen 
te zyn, maar die de gedaante hebben van een kleine Nier, on- 
derfchraagt door eenige bladeren, die zig in haare langte t'eene- 
masl rondom uitbreiden. 



CXIV. 



CXIII 





CXVI. 



- cxv. 





EUROPISCHE INSECTEN. 



59 



C X V. 



Byenblad. 



Me lift. 



A°' 1683. den vier en twintigften Juni wierd my deeze houtkoleurde Rups gezonden tot SchwaL 
bacb in Duitfchland. Zy was zeer ftil van aard. Den fes en twintigften dito fpon zy zich 
in , en wierd een Popje, en den negende juli kwam 'er een zoodanig geel Kapelletje uit. 

Het onderfte Beesje op het benedenfte groene blad, gebruikt dit blad tot zyne fpyze. Na dat 
het eenige reifen zyne huid afgeftroopt hadde, die het geftadig by zich droeg, en fomtyds met zyn 
achterly f beefde , als of het benouwt was, veranderde het zich in een foodanige gedaante als daar- 
tegen over te zien is , en wierd den vyf en twintigfte Juni ió8o. foo hard als hout. Eindelyk kwam 
'er in de maand Juli een foodanig groen Torretje uit. 



Deeze Plant heeft haar vezeïagtige, lange, ronde en bourag- 
tige wortelen, een weinig fcherp en bicter : haare ftammen zyn 
anderhalf voet hoog, vierhoekig, gebogen als een kruis, hair- 
agtig, hard, gemakkelyk om te breeken. Haare bladeren zyn 
fwartagtig, fpits, gelykende na die van het Kattekruit, am 
haare randen gekanelt, ruuw in het aanraken, overtrokken met 
klein kort hair, van een aangename Citroene reuk , en van fmaak 
een weinig'ie fcherp. Zy zyn twee aan twee regens eikanderen 
over geplaatft. Daar komen uit de eene en de andere kant van 
haare holligheden eenige bloemen voort, dog die egrer niet tot 
haar volkomen rondte geraken. D^ze bloemen zyn grooter als 
een duim> zynde van agteren geformeert als een buis, eu ope- 



nen Zigvan voren , alwaar zy een geronde bovenlip hebben t in 
tween gekloofr , omhoog verheven , wit , breeder als eenfnoer 
en doorzaait met fagte haartjes, dog de onderfte lip is veel bree- 
der en geklooft'in drie deelen, waar van de middelde veel groo- 
ter is als de twee anderen, die daar ter Zy.1e ftaan. Dit middel- 
fte gedeelte heek een purpere koleur met witte randen gelykals 
gekrult. De kelk van haar is groot, hol, groen, hoekagtigen 
verdeelt in vyf puntige deelen : zy verwiflelt in een baft , lang 
een halve duim, waar in vier zaden, rer dikte van tweefnoeren, 
bruin, tot haar volkomen rypte komen, formeerende aand'ecne 
zyde een hoek, dewelke eikanderen raken, en hebben aan de 
andere zyde een uirgebogentheid* 



C X V L 



Gnfer Vrouwen Diftel. 



Carduus Maria. 



Ulke Rupfen gebruikten deefe Diftelen tot haare fpyfe, tot op den negentiende Juli , wanneer 
eene daar van in een Popje veranderde. De andere bleeven leggen, waaruit veele kleine 
Wormtjes kroopen, die zich tot kleine eiertjes infponnen: ondertulTchen fpon de Rups meede al de 
kleine eiertjes rondom zich by malkanderen , dat 'er geene van konden afvallen. Dit gefpin zag 'er 
uit als Cattoen. Tien dagen daar aan kwamen 'er zulke kleine fwarte Vliegen uit; zoo dat, buiten 
alle twyfFel , de Vliegen haar zaat in de Rupfen gelegt hadden. Den fevende Augufti kwam 'er 
een fuik fchoon Kapelletje uit het Popje, 't welk de Lief hebbers een Diftehwk noemen. 



Deze is dezelve Plant , dewelke Cafparus Bauhinus Carduus 
albiSf maculis notatus , w/^wnoemt, Johannes Bauhinus Car- 
duus Marianus frve lacleis maculis notatus , en Dodonseus Carduus 
Leucographus. De bladeren van deze Plant zyn lang, breed, 
doornagtig , getekent met witte vlekken als met melk. Zy brengt 
voort een ftam van drie of vier voeten hoog, een vinger dik, 
takagtig, dragende op haare toppen eenige hoofden, voorzien 



met (tyve en zeer puntige ftekels. Yder van deze hoofden on- 
derfteunt een ruiker van bloemwerk, van boven wyd uitgeftrekt, 
fnoerswyze ingefneden en van een purpere koleur. Daar op 
volgen eenige korrels, gelykende na die van de Carthamus. Haar 
wortel is dik , lang , goed om te eeten. Matthiolus heeft de 
ware geftake van deze Plant niet getroffen. 



P Z 



éo E UROPISCHE INSECTEN. 

C X V I I. 

Melde. Atriflex. 



M 



Et dit Kruid heb ik deeze Rups gevoed tot op den tiende Augufti , wanneer fe zich tot een 
fwart Popje veranderde j en den vier en twintigfte dito kwam 'er een rood Uiltje uit. 



C X V I I L 
Hafelnoot. Aveltana. 

En onderden groenen Worm heb ik op deeze Nooten gevonden , alwaar hy de kleine Diertjes 
of Luisjes heeft gegeeten. Den vieren twintigfte Mai veranderde hy zich in een bruin Pop- 
jen , en den twintigfte Juni kwam 'er een zoodanig iwart Beesje uit , gelyk alles by malkanderen op 
de Nooten te zien is. 

Het bovenfte groene Rupsje heb ik den derde Mai meede op diergelyke Nooten gevonden. De 
bladeren daar aan zynde {ponnen ze te faamen , woonden daar in , en liepen zeer vaardig daar in en 
uit: wanneer men ze aanraakte, zoo lieten zy zich aan een draad neer; dit duurde tot den veer- 
tiende dito, wanneer ze tot Popjes wierden, en den vyfen twintigfte dito kwamen 'er zulke kleine 
Kapelletjes uit, gelyk boven op te zien zyn. 

Van diergelyke groene Rupfen, waar van 'er eene onderaan kruipt , heb ik 'er veel op deeze 
Vruchten gevonden en met de bladeren daar van gevoed: tot op den agtienden Augufti, als wan- 
neer zy een hard gefpin maakten , en daar in bleven leggen tot op den vyftiende April des volgenden 
jaars, wanneer zodanige Vliegen daar uit voortkwamen, gelyk 'er een op de fteel te zien is. 



Paulus HerrMnnus noemt deeze Plant in fcyri Hortus Jcademi* deren gefchikt fchulpsv/yze. Haare vrugten waflen op dezelve 

Lugduno Batavus , Corylus Byfantina altijfima {$ maxima > enCaf- tak, maar op eenige afgezonderde plaatfen. Zy zyn van een 

parus Bzuh\nus Avellana y peregrina, bumihs. Die Boompje werpt eyronde of byna ronde gedaante , overtrokken met een hardeen 

veel lange takken op , zynde buigfaam zonder quaften. Haar houtagtige baft, die in zig bevat een Amandel byna rond, rood- 

hout is tecder en wie, haare bladeren gelyken na die van de agtig en van een zeer goede fmaak. Zy zyn omwonden als in 

Elfeboom, dog grooter en meer gerimpelt, aan haare randen een vliesagtige ïcheede, en aan de kanten omboort als of het 

ingekartelt, fpits en van een aangename reuk Haare bloemen Franjes waren. 
zyn ichillen met verfcheide bladeren, zynde geel en op malkan- 



cxyin . 



cxvii . 





cxix. 



cxx 





EUROPISCHE INSECTEN 



ói 



Abrikoofe-boom. 



C X 1 X, 



ArméiitacA. 



VAn deeze cierlyke Rupfen heb ik 'er veel op deeze Vrugt gevonden , welkers bladeren zy fot 
hunne fpyfe gebruikten tot op den agt en twintigften September 1691. tot Amfterdam, Wan- 
neer ze zich felfs infponnen en tot Popjes wierden. In het een groeide een Worm , die zich in een 
fwarte Vlieg veranderde: en des anderen jaars in de maand April kwamen 'er uit de andere Popjes 
zoodanige graauwe Uiltjes. 



"Deeze Boom gclykt na de Perfike Boom , maar haar flam is 
dikker , overtrokken met een fwarte baft : haare bladeren zyn 
korter en breeder, gelykende na die van de Populierboom , zyn- 
de tantswyze gekartelt , fpits en van een fcherpagtige fmaak. 
Haare bloemen zyn gemeenlyk aan vyf gebladefteekjes>ge(chikt 
op de wyze als een Roos, byna gelyk als die van een Perfikke- 



boom , van koleur als een bleeke Roos. Haar vrugt Is vleesag- 
tig, byna rond, ter dikte van een kleine Perfik, aan de eene 
zyde roodagtig en aan de andere kant geelagtig. Haar vleefch 
is zoet en lekker, en van een aangename reuk. Zy heeft van 
binnen een platte fteen, beenagtig, in dewelke men vind een 
Amandel die een weinig bitter is. 



C X X, 



Mater of Moeder-kruid. 



Tarthenium. 



DEeze bruine Rupfen hebben dit Kruid gegeten tot op den tiende Juli , wanneer fe zich in Pop- 
petjes veranderden, waar uit veertien dagen daar aan zulke bruine Uiltjes voortkwamen. 



Deeze Plant is dezelve als de Matricaria vulgaris fativa van 
Cafparus Bauhinus. Het gemeene Moedei kruid heeft een wit- 
te en vezelagtige wortel , alwaar uit voortkomen verfcheide 
Hammen van anderhalf el hoog, ftyf, ingegroeft en vervult 
met een voos merg , zynde wit en verdeelt in verfcheide tak- 
Jcen. Haare bladeren zyn groot, gefchikt op de wyze als vleu- 
gels, zynde by paaren tot aan derzclver zyde toe ingefneden, en 



eer ingefneden op haare randen , van een veiblikte groene ko- 
leur en van een flerke en bittere reuk. Haare bloemen komen 
op de topenden van de takken als ruikertjes te voorfchyn , zyn- 
de ftraalswyze gefchikt of uitgeftrekt als ftraalen , geformeert 
met een rondplatte geele fchyf en een fchubagtige kelk. Haare 
zaden zyn langwerpig, ingegroeft, dun en zonder kuifje of ee- 
nig ftoppelhair. 



6z EÜROPISCH'E INSECTEN. 



C X X I. 

Irias. Iris horten fis , latifolia. 

VAn deeze witachtige Rups heb ik 'er maar eene gehad , die tot zyne fpyfe blaauwe Irias ge- 
bruikte, en wanneer hy geene meer konde krygen, heeft hy het zaat daar van gegeten; op 
't laatft is hy heel donker blaauwachtig geworden, en heeft den feventiende Juli 1689. zvne huid af- 
geftrobpt, die met een draadjen aan het Popje hangen bleef. Eindelyk is 'er den vyfde September 
een ligt Uiltje uit voortgekomen. 

De groene Rups die op het blad kruipt, heb ik in de aarde vinden leggen by Irias wortelen. Den 
een en dartigfte Maart 1698. is hy tot een Popje geworden, en in de volgende maand Juni is een 
zoodanig graauw Uiltje daar uit geworden. 



C X X I I. 

Braam-befien-ftmik. Kubus. 

DE groene Rups die boven kruipt, heb ik met foodanige blaaden gevoed, die hy te famen ge- 
rolt hadde en waar in hy woonde, zonder daar uit te komen, als wanneer hy eeten wilde. Op 
't laatfte wierd hy bruin. Den een en twintigfte Mai fpon hy zich turTchen de bladeren in , en wierd 
aldaar tot een Popje, waaruit den twaalfde Juli een houtkoleurd Kapelletje voortkwam. 

De onderfte groenachtige bruine Rups heb ik ook met deeze bladeren gevoed, in de maand Juni 
des jaars 1683. tot Langen Schwalbach. Wanneer men haar aanraakte foo liet ze wat groen water 
van zich , rolde in 't ronde te famen en bleef lang zoo leggen. Zy was zeer ftil van aard, foo dat 
ze gantfche uuren lang onbeweeglyk ftil leggen bleef. Den veertiende Juni veranderde ze in een 
Popje, en den tweede Juli kwam 'er een foodanig fchoon Uiltje uit, van koleur byna als de Rups, 
die boven op het bloeifel zit. 



Dit Boompje fchiet lange , tecdre en hoekagtige takken, welkt is komt 'er een ronde of ei- ronde vrugt te voor fchyn,eveü 

voorzien met zeer ftekelagtige doornen. Haare bladeren zyn als een kleine Moerbes, te famen geftelt uit verfcheide beffen j 

langwerpig, fpits, tands wyze aan haare randen gekarteld, ruuw. vol van fap, leggende d'ecne en d'andere digt op elkander, 

in het aanraken, van onderen witagtig en van boven fwartagtig, zynde wel rood in den beginne , dog al rypendc worden zy 

van een famentrekkende fmaak, zynde verfcheide te famen ge- fwart. Zy hebben yder een zaad. De uitfpruitfels van dit Boomp- 

hegt op eene fteel. Haar bloemen zyn klein, wit, te famen je zyn hoekagtig, maar zyn niet vierkant, gelyk als Pena en 

geltelt uit vyf blaadjes, geformeert als een Roos en onderfteunt Lobel ze befchreven hebben, 
door een kelk, ingeineden in vyf deelen. Na dat de bloem ver- 



CXXI. 





CXXII.j 






CXXIV. 



CXXIII . 





EUROPISCHE INSECTEN. 



C X X I I I. 



Wolfsmelk. 



^iihymalus. 



DIergelyke Rupfen, wanneer ze nog klein zyn, zyn geel en fwart, maargrooter wordende, wor- 
den ze roodj wanneer men ze aanraakt, zoo (laan ze met de kop heen en weer, als of ze 
toornig waaren. Van dit foort heb ik 'er veel tot Francfort gehad, maar zyn by my altyd bedor- 
ven, en niet als Vliegen daar uit voortgekomen. Zy hebben braaf van dit Kruid gegeten. Anno 
1Ó84. den agtiende Juni wierden 'er weer twee tot Popjes, en den negende Juli bekwam ik eindelyk 
dit fchoon Uiltje daar van , waar van 'er een nog den felven dag een groen ei leide. 



De Wolfsmelk heeft een wortel die vry wat dikker is als de 
agterfte vinger, zynde houtagrig, vezelagtig en fomtyds bogt- 
agtig en van een wrange, fcherpe en walgagrige (maak Haar 
itammen zyn een elle hoog, en om hoog takagrig, alwaar de 
bladeren by bosjes voortkomen, even als die van VlasgewaMen, 
en zagt, dog in 't vervolg komen 'er veel dunder en hauagtiger 



tevoorfchyn, of gelyk eenige hairen. De bloemen komen by- 
na als Zonncfchermen geheel bovenop den top der takken, 
zynde geformeert uit een enkeld ftuk, verbeeldende een belletje, 
groenagtig en verdeelt in vier dcclen , die met een pafler fchy- 
nen afgerond te zyn. Haar zuiltje verv/ifTck zig in een drie- 
hoekige vrugt met drie doosjes. 



C X X I V. 

Kamper-foely, of Capri folie. 



Tericlymenum. 



VAn deeze fchoone groene Rups heb ik 'er tot Francfort veele gevonden op Hardreegel en Kam- 
per- foely, waar meede zy haar geneerden. Den dertiende Augufti wierd er een tot een Popje, 
en des anderen jaars den vyfde Juni kwam 'er een loodanig fchoon Uiltje uit. De voorige die ik 
hadde zyn meeft in 't ruien of vervellen geftorven, of daar zyn zoodanige Vliegen uitgekomen. Tot 
Amfterdam heb ik ze met Kamperfoely gefpyft. 



De bladeren van deze Plant zyn byna rond, glinftcrendc en 
by de takken te (amengevoegt en als ingeregen. De bloemen 
ïyn eenige verwyderde buisjes, op de wyze als een klok geme- 
den in verfcheide deelen. Deeze bloemen zyn geformeert als 
ftralen, waarvan yder onderfteunt word door een kelk, ge- 



maakt als een knoop, of de gedaante hebbende van een kleine 
Granaatappel. Na dat de bloem verdwenen is, zoo word haar 
kelk een zagte bes , die in zig bevat eenige platte zaden,. byna 
eirond. 



Qz 



6*4 EUROPISCHE INSECTEN. 

C X X V. 

Quee-bloeifel. Cotonex, Hos. 

DEn eerften Mai 1^83. heb ik deeze Rups tot Francfort aan den Main op Queèn gevonden, 
waar mede ik hem ook hebbe opgevoed. Hy was zeer onruftig, geftadig heen en weer lo- 
pende en at zeer weinig. Den vierde Mai maakte hy een graauw gefpin , en den vier en twintigfte 
dito kwam 'er een zoodanig graauw Uiltje uit. 

Het kleine bruine Rupsje daar tegen over heeft mede deeze bladeren gegeten , heeft zich ook daar 
in gerolt en is aldaar op den ibs en twintigfte Juni tot een Popje geworden, en den veertiende juli 
is het graauwe Kapelletje daar uit gekomen. 



C X X V L 

Quee-bladeren. ' Cotone* folia. 

Oodanige bruine en geele Rupfen heb ik met Quee-bladeren gefpyft; zy hebben ook Pruimen 
r en Roofenbladeren gegeeten tot op den agt en twintigfte Mai , wanneer de eene tot een Popje 
wierd, na dat hy zyne huid hadde afgeftroopt. Wanneer men deeze Rupfen aanraakte, zoo bleven 
ze zonder beweeging leggen; des volgenden jaars den vier en twintigfte Maart is een zoodanig hout- 
koleurt uiltje daar uit voortgekomen: gelyk alles op de eene zyde te zien is. 

De Rups daar tegen over ftaande heb ik met Sleeboom-bladeren en Quee-bladeren gevoed : maar 
hy at zeer weinig. Den laatften Mai is het tot een bruin Poppetje geworden , en den twintigfte Jn- 
*ii is zoo een graauw Kapelletje daar uit voort gekomen , gelyk 'er boven aan een vliegt. 



s 







cxxv 



CXXVI. 




CXXVII . 



CXXVIII 





EUROPISCHE INSECTEN. 



*J 



C X X V I I. 



Gras-Angelieren. 



Flos Caryophillorum, 



OP deeze Bloemen vond ik diergelyke roodgeftreepte kleine Rupsjes, waar meede ik fe tot op den 
twaalfde Mai tot Neurenburg gevoed heb: zy hebben zich toen in de Bloemen ingefponnen, 
en zyn daar in tot Popjes verandert geworden , waar uit den fes en twintigfte dito zulke Okerkoleur- 
de Torretjes kwamen , gelyk 'er op de Bloemen gezien word. 

Tot Amfterdam wierd my een geel en fwart geftreepte Rups gebragt, gelyk 'er eene op het groe- 
ne blad is : die zich aanftonds infpon , zoo dra als ik ze op den twee en twintigfte Juni gefchildert 
hadde , en den twintigfte Juli daar aan volgende kwam 'er een zoodanig Uiltje uit. 



C X X V I I I. 



Indiaanfche Kors. 



Nafturtium Indicum, 



Diergelyke houtkoleurde Rupsjes heb ik met deeze Kors gevoed. Den dertiende Juli wierden 
eenige tot Popjes in de groene bladeren. Den derde Juli kwam 'er 't eerfte Kapelletje uit, 
waar op den fevende noch twee volgden , en den dertiende dito wederom een ander. 



Pit. Tournefort noemt deeze Plant Ca'rdamtndum minus & 
<vulgare, Cafparus Bauhinus Nafturtium Indicum majus, Johannes 
Bauhinus Na/lurtium Indicum folio peltato fcandens , Dodonseus 
JSIafturtium Indicum, Paulus Herman Viola Indica , fcandens, 
Nafturlii fapore & odore> flore flavo Frangois Herhandez Naftur- 
tium Peruinum en de Heer Boerhaave Acriviola : na Fred. Ca:f. 
is de ftam van deeze Plant lang, dun, takagtig, flingcrende zig 
rontom de ftokken die men daar nevens in de grond fterkt. Haar 
bladeren zyn gcmeenlyk getornaeert als een navel, rond, fom- 



tyds hoekagtig, naaft malkanderen gepiaatft, groen, van bo- 
ven effen en van onderen een weinig gehairt. Haar bloemen 
zyn fchoon, welriekende, yder van haar te famen geftelt uit 
vy f bladeren, gelykende na die van de Viole-bloem : haar kelk 
beftaat uit een enkeld ftuk, ingefneden in vyf deelen, na bene- 
den eindigende met een lange f teel. Als de bloem verwelkt is, 
zoo fchynt zeeën ronde vrugt, ruuw, gefronft, te famen ge- 
ftelt uit drie doosjes, dewelke yder een byna rond zaat in zig 
bevatten. & 



R 






66 



EÜROPISCHE INSECTEN. 



C X X I X. 

$t. Jans Bloemen of Koedille. 



Buphthalmum* 



i Iergelyke geele en fwarte Rupfen hebben deeze Bloemen gegeeten tot op den drie en twintigfte 
Juli 1704. wanneer fe zich infponnen en tot Popjes wierden. Des volgenden jaars den vier en 
twintigfte Mai kwaamen 'er fulke roode en fwarte Kappelletjes uit, gelyk hier te zien zyn. 



Deeze Plant is dezelve, die Cafparus Bauhinus Bupbthalmum, 
tmaceti minoris f 'oliis noemt, Johannes Bauhinus Chammmelum y 
Cbryfanthemum querundam^ Clufius Buphihalmum vulgare, Cbry- 
' janthemo congener. Deeze Plant brengt verfcheide. (lammen voort 
ter hoogte van anderhalf voet, dun, roodagtig en takagtig, 
Haarc bladeren zyn gelyk als by paaren ingefneden tot aan de 
zyde toe, wolagtig , aan haare randen tandswyze gekarteld, 



gely kende na die van de kleine Taneer. Haare bloemen komen 
voort op de topenden van de takken zyndc geftreept als die van 
de Ganzebloem , in haare langwerpige vlakte en in haar kroon 
geftreept: maar ze zyngrooter en geel van koleur: daarop vol- 
gen dunne en hockagtige zaden, zyndc haar wortel hard en 
houtagcig. 



XXX. 



Speer-kruid 



Thu j vulgo Valeriana. 



Dit Kruid is de fpyze van deeze Rupfen. Den feventienden Juni hebben zy een wit gefpin ge« 
maakt en zyn daar in tot Rupsjes geworden , en den negen en twintigfte dito kwamen 'er zul- 
ke graauwe Uiltjes uit. 

De kleine bruine Rups heeft zich ingefponnen den veertiende October I704. en des volgenden 
jaars den vier en twintigfte Mai is 'er een zoodanig bruin vliegend Kapelletje uitgekomen. 



De Speerkruid i of anders genaamt Phu , met bladeren 
van de Oiufairum, van de Pinax van Cafparus Bauhinus , 
heeft een wortel die zig in de dwarfte verfpreid, zynde een 
duim dik , gelyk als ringswyze gefchubt , uiterlyk bruin , 
van binnen wit, vezelagtig, fcherp en een van de allergeurig- 
fte. De ftammen van dezelve zyn twee ellen hoog, hol en on- 
derfcheiden door verfcheide knubbels of quaften. Haare blade- 



ren groeyen twee aan twee vlak tegen elkander over, glad , van 
een donkergroene koleur > een fpan groot, van beide zyden 
zeer diep ingefneden als lnippers : De bloemen vind men op de 
topenden van de Plant op eikanderen gehoopt : ze zyn van een 
cnkeld ftuk, wit, van een lieffelyke reuk , van gedaante als een 
tregter, verdeelt in vyve, hebbende een kelk , die zig vcrwif- 
felt in eenig langwerpig en plat zaad, onderfteunende een kuifje. 



CXXIX 



cxxx. 





CXXXI 



CXXXII 





EUROPISCHE INSECTEN. 



6/ 



C X X X I. 



Aalbefien. 



Vvd Vrfina. 



TOt Amfterdam vond ik diergelyke graauwe en witte geftrecpte Rupfen, welke de groene blade* 
ren van deeze Beften aaten, tot op den drie en twintigfte Juni 1706. wanneer ze tot Popjes 
wierden, en den vier en twintigfte Juli kwamen 'er zulke fchoone bruine en witte Kappelletjes uit. 



Dit is het zelve Boompje , 't welk Cafparus Bauhidus Fiüs 
Idtea^ foliis carnofis Ö" veluti punftatis , ftve lda% Radix Diofcoridi 
noemt. Dir kleine Boompje is laag, gelykende na een Mirtus 
Boompje} maar haare bladeren zyn dikker, langwerpig, afge- 
rond, komende zeer na by die van de Palmboom, fmaldenge- 
ftrcepr aan beide zyden, zenuwagtig, van een wrange (maak, 
daar by wat bitter. Hare bladeren zyn gehegt aan houtagtige 
takken , zynde een voet lang , overtrokken met een dunne haft, 



en ligtelyk om ze daar van af te fchillen : hare bloemen WarTen 
by troffen op de topenden van de takken , gcformeert als een 
belletje en root van kolcur: wanneer ze verdweenen zyn , zoo 
volgen daar op byna eenige ronde bellen, zagt en rood, bevat* 
tende yder van dezelve vyf (teentjes, gemeenlyk gefchaart als 
de ribbe van een Meloen, rond op de rug en plataan de ande- 
re kanten. Deeze beffen hebben een famentrekkende fmaak. 



C X X X I L 



Moerelle Karden. 



Cerafa Vliniana, 



OP deeze Boomen vond ik drie van zoodanige Rupfen, welkers bladeren zy tot hunne fpyze ge- 
bruikten tot op den negende Juni , wanneer ze zich tot de verandering begaaven : En als de 
eerfte tot een Popje wierd , heeft hem de andere opgegeten , tot dat 'er maar een overbleef, die den 
derde juli tot een graauw Uiltje wierd. 



R a 



ÓB 



E U R O P I S C H £ INSECTEN. 



C X X X I I L 



Blosyende Hey. 



Erica florens. 



[ï't Kruidjen wad op dorre Heiden, 't welke deeze Rupfen tot hunne fpyfe gebruiken. Zy heb- 
ben zich den vyftiende, feftiende en fèventiende Augufti ingefponnen, en des anderen jaars 
den feftiende, fevenriende en agtiende dito zyn 'er tweederlei zoodanige Uiltjes uitgekomen, na- 
melyk Mannetjes en Wyfjes. 

Het middelfte Rupsje, zynde fwart met Oranje vlakken, heeft meede het felfde kruid gegeeten, 
tot op den dertigfte [uni, wanneer het zich aan dit kruidje vaftipon, en tot een fwart Popje wierd, 
en den fes en twintigften Juli is 'er een foodam'g graauw geftreept Uiltje uitgekomen. 

De fchoone geftreepte Rups heeft meede dit kruidje gegeeten, als meede Millefolium of Duizend- 
blad ; hy was zeer gaauw in 't loopen. Den twee en twintigften Juni heeft hy begonnen een zeer 
hard gefpin te maaken , waar in hy zich tot een Popje veranderde , en wanneer men het aanraakte , 
heeft het zich veelmaalen omgekeert, en is eindelyk gantfch verdroogt. Ik heb daar op het harde 
gefpin opgefneeden , en daar in gevonden zoo als hier te zien is. Dit heb ik in Duitfchland, als 
meede tot Amfterdam alfoo bevonden. 



cf andei half hoog , zynde houtngtig , van een bruinroode koleur , 
lakagtig, voorzien met kleine bladeren , hart, altyd groenen 
iuuw. Haare bloemen zyn kleine klokjes van een zeer fchoone 
purperagtige koleur, en fomcyds wie, en door kleine zuiltjes 
vailgehegt langs de takken van het midden af na om hoog toe: 
van de grond van deeze bloemen komt voort een fteunfeltje,dat 
in 't vervolg een byna eyionde vrugc word, behelzende in zig 



senige zeer dunne Zaden, opgefïooten in vier kamertjes: haar 
wortel is zeer lang maar zeer ongemakkelyk om te breken. L)e 
befchryving die Mathiole van deeze Plant gedaan heeft, is be- 
ter als men ze by andere Schryvers vind. Clufius en Johannes 
Bauhinus hebben deeze Hcibloem aangemerkt voor een bloem 
met vier bladeren , alhoewel ze na 't gevoelen van de Heeren Tour- 
nefort en Boei haave uit een cnkeld ft uk beilaat. 



c x x x i v. 



Kkaver en Riet-Gras. 



^rifoüum 6f Carex* 



E aardkoleurdc Worm op het Klaverblad, word van de Landlieden een Aardworm genoemt, 
^J en is zeer fchadelyk voor het Weiland , om dat hy de Wortelen van het gras opeet. Hy heeft 
zich den negen en twintigfte Mai tot een Popje verandert, zoo als 'er een onder de Worm gezien 
word: en den vyf en twintigfte juni wierd 'er een zoodanig Dier uit , gelyk 'er een op de bloem te 
zien is. Hy legt zyn zaat in de aarde, en zoo als de Landlieden zeggen, heeft hy wel drie jaaren 
noodig tot zyne verandering. 

De fchoone geel en roode Rups , tegen over de bovengemelde Worm, heeft Riet-gras tot zync 
fpyze gebruikt tot op den eerften Augufti, wanneer hy een wit gefpin maakte, waar in hy tot een 
iwart Popje wierd, en den vyftiende Augufti kwam 'er zoodanig een witagtig Uiltje uit, gelyk bo- 
ven aan te zien is. 



Deeze Plant brengt voort dunne (lammen , voor een gedeelte 
regt opgaande, en voor een gedeelte langs de grond kruipende, 
een weinig hairagtig. Haare bladeren zyn gehegt drie aan drie 
aaneenfteel, dan eens rond, dan eens lang, fomtyds in het 
midden getekent met een witte of fwarte vlak , hebbende de ge- 



daante van een Maan. Haar bloemen zyn gefchikt als een koorn- 
aar, zynde kort en dik en van een purpere koleur, van een lief- 
felykereuk, op dezelve een korrel , die de geftalte heeft van 
een nier. Haar wortel is lang, houtagtig, byna zoo dik als de 
agterlte vinger. 



cxxxnr 



cxxxiv. 





cxxxvi 



cxxxv; 





EUROPISCHE INSECTEN. 



óp 



C X X X V. 



Wintbloemen. 



A, 



nemone. 



SOodanige Bloemen heb ik by deeze Rupfen maar om 't welftaanshalven gevoegt ; om dat 'er op 
't voorgaande blad , Gras en Klaaver, die in 't Gras waft, te zien is. Deeze Rupfen hebben 
Riet-gras gegeeten tot op den agtfte Juni, wanneer ze tot Popjes wierden, en den agt en twintigfte 
Juli kwamen 'er zoodanige geele Uiltjes uit. 



xxvi. 



Juffertjes in 't Groen. 



Nigella. 



IK heb deeze hier op de Bloem fittende Rups daar op gefet, om dat ik haare fpyze niet en wift ; 
want zoo draa ik ze gefchildert had , den agtfte Juni 1705. heeft ze zich ingefponnen in een wit 
ey; den agt en twintigfte dito is 'er een zoodanig Uiltje uitgekomen. 

De onderfte Worm die op de fteel kruipt, gebruikt tot zyne fpyze de kleine Luisjes die men op 
alderhande gewafTen vind. Den fes en twintigfte Juni veranderde hy,zoo als 'er een onder de Worm 
te zien is, en twaalf daagen daar na kwamen 'er zoodanige Torretjes uit. 



Deeze Plant is dezelve , die Dodonxus Melanthum fylveflre 
noemt. Zy brengt voort Hammen van een voet hoog, dun en 
ingegroeft : haare bladeren zyn a!s hairen , groen , en zyn gc- 
plaatft op de topenden van de groote takken , zynde de eene van 
de andere afgefcheiden : yder van haar is te lamen gefield uit 
vyf bladeren , gefchikt op de wyze als een Roos , bleek van ko- 



leur, in 't midden voorzien met veel vezeltjes, die omvlogtea 
zyn door een kroon , beflaande uit kleine langwerpige licha- 
men. Na dat de bloemen zyn afgevallen zoo volgen daar op 
vlicsagtige vrugten van een redelyke dikte, eindigende door 
verfcheide kamertjes, dewelke in zig bevatten eenige hoekaeti- 
ge zaden. 



;o . EUROPISCHE INSECTEN. 



C X X X V I I. 

Willige-boom Saïix. 

DEeze groote Rupfen hebben eenen ftinkenden reuk. Zy houden zich in de holle Willigeboo- 
men op, eetende het binnenfte van dezelve; maar wanneer ze geene fpyze meer hebben, zoo 
ceten ze malkanderen zelfs op: men kan ze ook in geen Doofen bewaaren, om dat ze alle hout- 
werk doorbyten. Den twintigfte April fponnen zich eenige in, en den vierde Mai kwaamen'er zo- 
danige graauwe Uiltjes uit , gelyk hier vertoont worden , namentlyk een Mannetje en een Wyfje. Ik 
bequam noch eenen anderen op den twintigfte September: deeze leide zich in de aarde tot in de 
maand October zonder eenige fpyze te nuttigen , en wierd een Popje. Den feventiende Mai des 
volgenden jaars quam 'er een zoodanig Uiltje uit, 't welk den eerften dag hondert agt en vyftigeye- 
ren leide, en des anderen daags noch agt en feventig, wanneer zyn lyf dunder wierd, en den derden 
dag ftierf het. 



C X X X V I I I. 

Svvarte bloejende Water-willigen. Satix niger aquaticm. 

DTergelyke groene geftippelde Rupfen heb ik 'er veele gevonden in Vriesland, op diergelyké 
Willige en Abeele-boomen , welkers beide bladeren zy tot hunne fpyze gebruikten tot op 
den a^t en twintigfte Augufti , wanneer ze zich in fwarte Popjes veranderden , en des volgenden 
jaars den veertiende April zyn 'er twee zoodanige Uiltjes uitgekomen, die aanftonds groene eyeren 
leiden. Maar alle de andere Kapelletjes kwamen eerder uit, welkers vleugels zoodanig gerimpelt 
vaaren, dat men niet bekennen konde v/at gedaante dat ze hadden. 



CXXXVII. 




CXXXVIII. 




CXXXIX. 



CXL. 





EUROPISCHE INSECTEN. 71 

C X X X I X.' 

Willigen, Sdix, 

DEeze fchoone Rups heeft Willige tot zyne fpyze genuttigt tot op den twee en twintigfte Juni,, 
wanneer hy in een Popje veranderde, het welke dagelyks bruinder wierd, zoo als den dauw op 
de biaauwe Pruimen. Den derden Augufti quam 'er een zoodanig fchoon graauw rood Uiltje uit. 



C X L. 
Willigen bloeifel. Salicis F/os. 

Eeze dubbeld gehoornde Rups heb ik van Leiden gekreegen, alwaar ze op Willigen gevonden 
is , waar mede ik ze ook gevoed heb. Wanneer zich maar het minfte ding beweegde, zoo 
trok hy zynen kop in, en hield zich een tyd lang heel ftil. Wanneer hy at foo hield hy zyne twee 
hoornen digt by malkanderen. Somtyds flak hy uit deeze twee nog twee weeke roode hoorens uit 
die alfoo lang waaren als de eerftgemelde harde hoorens : deeze beweegde hy van de eene tot de an- 
dere zyde, en dan haalde hy ze weer binnen dat men 'er niets meer van konde zien. Dit duurde 
tot op den fes en twintigfte Juli, wanneer hy zich infpon, en des volgenden jaars in April quam 'er 
dit Uiltje uit. 



S 2 



71 ■ ' • EUROP1SCHE INSECTEN. 

C X L L 

Feuille de Saule. Sattcis Folmm. 

P|E bovenfte groene Rups gebruikte de Willige-bladeren tot fpyze: wanneer men hem aanraakte, 

•■-^ foo rolde hy zich aanftonds in malkanderen en fpatte uit yder lid wat helder water, als of het 

met een fpuyt gedaan wierd; en dit foo dikwils als men hem aanraakte; den twintigfte Augufti heeft 

hy een groot gefpin gemaakt, en des volgenden jaars den vyf en twintigfte Juni quam'er een fooda- 

■nig geel en fwart Dier uit, gelyk 'er een by de Rups te fien is. 

De tweede half geel en half groene Rups heeft: ook deeze fpyze gebruikt, en daar mede heb ik ze 
in Vriesland gevoed. Anno 1Ó90. den tiende Juli hebben ze zich na malkanderen in graauwe eye- 
ren ingefponnen, en den eerften Augufti quamen 'er zulke geele Vliegen uit, gelyk 'er in 't midden 
ge fien worden. 

Wanneer deeze onderfte fwart en geel gefiippelde Beesjes vallen , foo hebben fè moeite om weer 
op teftaan, vermits zy op den rug vallen; haare fpyze beftaat in Waater- willigen. Den vyf en 
twintigfte juni 1689. hebben ze zich tot geele eyeren ingefponnen, en den vyftiende Juli zyn 'er 
diergelyke Torretjes uirgekoomen. 



C X L I I. 

Feuille de Saule. Saiiai Folium. 

Feze o-eel en fwart gevlakte Rupfen hebben tot haare fpyze water-willigen gebruikt. Den feven 
- en twintigfte Augufti 1689. hebben ze twaalf dagen lang geleegen, tot dat ze haare huid af- 
ftroopten en to & t fchoone groene Popjes wierden, die binnen vier uuren bruin waaren: en den een en 
twintigfte Mai tot in de maand Juni , zyn deeze fchoone Uiltjes daar uitgekomen, welke groene ey« 

ertjes leiden. .'1,1.1 1 • • 

Diergelyke donker graauwe Beesjes, gelyk 'er hier onder een met zyne verandering te zien is, 
heb ik den vierde Juni op Willigen gevonden , die ze tot haare fpyze nuttigden: zy aaten alleen het 
bovenfte fap van de bladeren, foo dat de bladeren in haar geheel bleeven. Den twaalde Juni heb- 
ben ze zich ergens aan een blad of fteel vaftgehegt en zyn alfoo verandert, tot dat 'er den vier en 
twintigfte Juni foodanige donker groene Torretjes uit voortquamen. 



CXLI. 



CXLII . 





CXLIII. 



CXLIV. 





EÜRQPISCHE INSECTEN. 71 



C X L I I L 

Roofen. Rofi. 

SOodanige Rupfen gebruiken Roofenbladeren tot haare fpyfe: wanneer ze zich in Juli infpinnen; 
zoo komen noch in de maand Augufti Uiltjes daar uit. Maar wanneer ze zich in Augufti in- 
fpinnen , foo blyven ze leggen tot het volgende jaar in Juli , en dan komen 'er de Uiltjes eerft uit. 
ïn fommige Popjes zyn ook Wormen gegroeit , die aanftonds tot bruine eyeren veranderden, en 
veertien daagen naar na quamen 'er zulke Vliegen uit. 



C X L I V. 
Rooien. Rofa. 

HEt bovenfte geele Rupsje heeft Roofèn gegeeten tot op den veertiende Juli , wanneer het zich 
met de overige tot witte eyeren infpon, en den veertiende Augufti zyn 'er zulke Vliegen uit- 
gekomen. 

De onderfte groene Rups gebruikte ook Roofèn tot haare fpys. Den twaalfde Mai hebben zich 
cenigc daar van in de bladeren ingefponnen en wierden tot Popjes 5 waar uit den veertiende Juni 
fulke lichte Okerkoleurde Capelletjes voortquamen. 

Van dit half groen en half Roof ekoleurd Rupsje, dat op de knop kruipt, heb ik 'er veele gevon- 
den, welkers bladeren zy tot haare fpyze gebruikten. Den vyfde Mai hebben zy haar koleur in 
groen verandert en zyn tot Popjes geworden, waar uit den twee en twintigfte dito zulke kleine bruine 
Kapelletjes voortquamen. 



74 E UROP.ISCHE INSECTEN. 

C X L V. 
Roofen. 

VAn de kleinfte groene Rups heb ik 'erveele op Roofen gevonden , en daar mede gevoed. Den 
twaalfde Mai wierden zy tot bruine Popjes , en den fesde April des volgenden jaars quamen 
'er zulke Capelletjes uit, gelyk 'er een boven de Rups te zien is. 

De bovenfte bruine Rups heb ik ook met Roofenbladeren gefpyft, Anno 1684. den twintigfte 
Mai tot op den fesde Juni, wanneer hy zich in een donker roode koleur veranderde. Den negende 
Juni maakte hy een gefpin, waar in hy tot een Popje wierd: en den negen en twintigfte dito is 'er 
een foodanig Capelletje uitgekomen, gelyk 'er een boven op de Rups gezien word. 



C X L V I. 
Roofen. . %ofd. 

HEt hangende groene Rupsje eet mede Roofen. Dit foort kruipt menigmaalen op de rug, en 
laaten zich aan een draatje, dat uit haar mond gaat, op en af. Den tiende Mai wierd het 
tot een Popje, en den agtiende tot een fwarte Vlieg. 

De groote groene Rups gebruikte ook Roofen tot haare fpyfe. Den twee en twintigfte Mai 
ftroopte fe haare huid af en wierd tot een Popje ; waar uit veertien dagen daar na een Okerkoleurt 
Uiltje voortquam. 



CXLV 




CXLVI. 




CXLVII. 



CXLVIII. 





EUROPISCHE INSECTEN* 75 

C X L V I h 

Abeele-bladeren. , Ahiegna folia. 

DIergelyke graauwe Rupfen heb ik in 't eerft voor geen Rüpfèn aangezien , om dat ze heel ftil * 
fonder zich te verroeren, onder aan de bladeren in malkanderen gekrinkelt faaten, en niet 
anders als vogelsdrek te zyn, fcheenen. Ik heb ze met Abeelebladeren in Vriesland gevoed. Den 
drie en twintigfte September heeft een daar van een blad aan malkanderen gefponnen, als of het te 
iamen gclymt was, waar in hy zich tot een Popje veranderde. De anderen die ik hadde, hebben 
ten gewoonlyk gefpin gemaakt, waar in ze tot Popjes wierden. Den veertiende April des volgen- 
den jaars quam 'er het eerfte Capelletje uit, waar op de andere in de maand Mai volgden , en ligt- 
groene eieren leiden» Het Cappelletje is onder de Rups te fien. 

De groene Rups heb ik te gelyk metde bovengemelde graauwe^ op de felve Boom gevonden. 
Den agtiende Augufti leide hy zich ftil ter neer j ftroopte zyne huid af, en wierd een Popje, zonder 
te fpinnen. Des volgenden jaars den veertiende April quam 'er het eerfte Uiltje uit, en de andere 
eerft in de maand van Mai daar aan volgende, gelyk 'er een op het bovenfte groene blad te fien is. 



■ ■ C X L V I I h 

Winde of. Wrange. * Convofoulm. 

VErmits 'er op het voorgaande blad de fpys van alle defè ïaatfte Rupfèn ftaat, en dit maar een 
wilde Boom is, foo heb ik deze Ïaatfte bladeren met bloemen willen vercieren , niet twyfe- 
lende of het fal aan de liefhebbers aangenaam zyn. 

Deze bruine Rups heeft den twintigfte Juni een geel gefpin gemaakt, en is daar in tot een bruia 
Popje geworden, waar uit den veertiende Juli dit Oranjekoleurt Uiltje voortquam. 



T z 



75 



EUROPISCHE INSECTEN. 



C X L I X. 



Goutsbloemen. 



Caltha. 



DEze geele Rups heeft Abeelebladeren gegeten tot in.de maand September. Den vyftiende Juni 
des volgende jaars quam 'er een bruin Uiltje uit, na dat het eerft in een bruin Popje veran- 



dert was. 



Diergelyke Beesjes, gelyk 'er een op het groene blad fit, gebruiken de kleine Luisjes tot haare 
fpyfe. In 't begin van Juni hebben zy zich tot Popjes verandert, en op 't einde dezer maand qua- 
men 'er loodanige geele Torretjes uit. 



Het onderfte bruine Diertje houd zich in 't water op tot in de maand Juni, wanneer het op 't land 
kruipt: en dan komt 'er foodanig een vliegend Beesje uit, gelyk 'er een naaft aan op het blad fit. 



Dodonaeus noemt deze Plant Cakndula : zy verfchilt veel ten 
opfigte van haar grootte, en brengt dunne, ronde en een wei- 
nig hoekagtige (lammen voort, verdeelt in verfcheide takken, 
latende, wanneer men dezelve aanraakt , eenige flymagtige vog- 
tigheid aan de vingeren: haar bladeren zyn fonder fleel, vaftge- 
hegt aan haar ftam, hebbende een fmaak na 't Gras. Haar bloe- 



men komen voort aan de topenden van de takken , zynde gc- 
ftreept-, groot, fchoon, rond, geel en welriekende. Alszezyn 
afgevallen, zoo volgen daar op eenige kromme doosjes, dieyder 
m zig bevatten een langagtig zaad. Haar wortel is wit en ve- 

zelagtig. 



Granaat-bloem. 



L. 



Flos Mali Pmici. 



DE bovenfte Rups heb ik met Abeelebladeren gefpyft Anno 1699. Den tiende September tot 
Amfterdam heeft hy zich in een wit gefpin ingefponnen , en des anderen jaars in de maand 
.ft pril is dit graauwe Uiltje daar uit voortgekomen. 

De onderfte tweefteertige Rups heeft zich aanftonds ingefponnen, foo dat ik haar fpys niet kondc 
weeten. Hy heeft een wit gefpin gemaakt en is daar in tot een Uiltje geworden , gelyk 'er een op 
de bloem te fien is. 



CXLIX. 



CL 





CXII 



C.LI 





EUROPISCHE INSECTEN. 



17 



C L I. 



Kml-Lelien. 



Martagum. 



ZOodanige kleine groene Beesjes hebben geen fekere fpyfe nog tyd: want men vind ze op aller- 
hande Kruiden en op alle getyden van 't jaar; waar men maar diergelyke witte fchuim fiet, 
vind men 'er deefe Diertjes in, Too lang tot dat ze in foodanige Torretjes veranderen, gelyk het 
eene en het andere onder aan by malkanderen te zien is. 

De groenachtige Rups heeft Abeelebladeren gegeeten tot op den agtfte October, wanneer ze in 
een Popje veranderde, en den negen en twintigfte Juni des volgenden jaars is 'er dit Uiltje uitgeko- 
men. De Rups en het Uiltje zyn boven by malkanderen te zien. 

Hetonderile groenachtige Rupsje heeft bladeren van Kruisbefie-boompjes gegeeten. Maar alfoo 
deeze vrucht en bloeifel reeds in dit Werk afgebeelt zyn, foo heb ik die hier niet wederom willen 
vertoonen, en in der zelver plaats deefe Krul-Lelien geftelt, als meede een aangename bloem zyn- 
de. Wanneer men deeze Rupsjes aanraakt, zoo laaten ze zich aanftondsaan een draadje neer. Zy 
zyn zeer fnel in 't loopen. Den twaalfde Mai hebben zy zich turTchen de bladeren ingefponnen, en 
zyn daar in tot bruine Popjes geworden , en deri 'vier en twintigfte dito quamen 'er zulke Kapelletjes 
uit, die bruin en wit waaren , gelyk 'er een benevens zyn Popje boven te zien is. 

Deeze Plant is dezelve, die Cafparus Bauhinus Lilium album buïbiferum latifolium majus noemc. 



C L I I. 



Witte Lely met een gemeene regt opgaande 
bloem. 

a Winterbloem 

b Een kruipende bloem als een witte Lely. 



Lilium album , flore ere&o, & vulgare C. B. 

Pin. 76. 
a Narciffo-Leucoium vulgare Tournef. 387. Leu- 

coium bulbofum vulgare. C. B. Pin. jj. 
b Convolvulus longifolius azureus , niveo umbi- 

lico, erectus. Barreliero Icon. 311. Boccon. 

Muf. part. 2. 148. Tab. ioj. 

MEvrouw van Merian heeft deeze Plant hier gefteld voor een cjeraad gelyk als ze in verfcheide 
plaatfen van haar Boek gedaan heeft. Deeze foorte van Rupfe word gevoed door de bla- 
deren van de Populier- en Wilgeboom. Zy zyn zeer wit en bevinden zig de meeften tyd boven op 
de boomen. Ik heb deeze Rups zedert den een en twintigfte van de maand Mai tot aan de feftiende 
van de maand Juni gevoed: als doen vervelde zy. Veertien dagen daar na quam 'er een fchoone 
witte Kapel uit voort, devvelke men hier op de i'laat verheelt ziet. Deeze Kapel fchoot zyn zaad 
na verloop van eenigen tyd en ftierf vervolgens. 



De Winterbloem doet uit zyn wortel voortkomen drie, vier 
of vyf bladeren, gelykende na die van de Prey, zynde groen, 
glad en blinkende. Van onder deze bladeren klimt 'er een ftam 
op ter hoogre van meer als een half voet, zynde ingegroeft, 
hoekagtig, hol, omkleed met haare bladeren tot aan haar mid- 
den toe als een foort van een meflekoker: zy heeft geraeenlyk 
maar een enkelde bloem , fomtyds twee , dog fcldendrie. Deze 
bloem heeft fes neerhangende blaadjes, gefchaart als een klok, 



hellende na een witte koleur, hebbende van buiten een groen* 
agtige vlek, en van een onaangename leuk. Wanneer ze afge- 
vallen is, zoo volgt 'er op een vrugt opgezet met drie hoeken, 
en geheellyk verdeeld in drie kamertjes , vervult met byna ron- 
de, harde en geelagtige zaden : haar wortel is knobbelagtig, te 
famen geftelt uit verfcheide witte vliefen, en van onderen voor- 
zien met wiiagtige vezelen. 



C L I I I. 



Een purper-koleurde Lely met een omgebogen Lilium purpuro-fanguineum flore reflexo. C. B. 
bloem. Pin. 78. 

DE Rups die deze Kapel voortbrengt, word gevoed met Lely-bladeren: ik heb 'er van onder- 
houden in de maand van Juli veertien dagen lang; als doen vervelde ze en veranderde in een 
Pop, waar uit agt dagen daar na voortquam een Kapel, die men alhier afgebeeld ziet. Zy was van 
een fchoone Hemels-blaauwe koleur , de vleugels waren paars , en ze had op de rug vier goud-ko- 
leurde vlerken. 



7% EUROPISC HE INSECTEN. 

C L I V. 

De groote NarcifTe-bloem met een biezeblad, NarciiTus Juncifoliis oblongo calice , luteus ma- 
men een langwerpige kelk. jor C. B. Pin. 51. 

Eeze Rups word door deze Plant gevoed, na dat ze daar van verzadigt is , ftrekt ze zig uit in 
haar lengte, en blyft alfoo in die ftaat tot den volgenden dag. Wanneer zy kruit, zoo ziet 
men dat zy het voorite gedeelte van haar lichaam voegt aan haar achterdeel , zulks dat ze zig for- 
meert als een groene ring, vervolgens verlengt ze zig en brengt haar weder in de vorige geftalte, 
en dit altoos zoo vervolgens tot dat ze haar loop volbragt heeft. Zy begon den feftiende October 
te vervellen , en veranderde twaalf dagen daar na in een Pop, waar na op den eerften dag van de 
Maand Mai in het volgende jaar een ichoone Kapel voor den dag quam, gelykende na die, dewel- 
ke men op de bloem ziet. 

Deze Plant brengt uit zyn wortels voort eenigebhd?ren,byna foo feer vaftgehegt aan deze bloem dat het alles te famen fchynt 
gelykende na die van de Prey, zynde van een bleekgroene ko- een Huk alleen. Wanneer de bloem verwelkt is, volgr daar op 
leur. Daar klimt onder dezelve op een {tam van een voetboog, een tamclyke dikke driehoekige vrugc, verdeelt va drie kamer- 
dragende op haar toppunt een groote bloem met een enkeid wit tjes, vervult metfwarte zaden, byna rond: haarwortel is knob- 
bud, en omvlogten met fes bleeke en purperagtige bladeren, bcla^tig. 

C L V. 

Indiaanfe Hyacinth of Tuberoos. Hyacinthus Indicus tuberofus , flore Hyacinthi 

Oriencalis C. B. Pin. 47. 

a Witte Lely van den Dale. a Lilium Convallium album C.B. Pin. 304. 

b Veld-Renunkel met Kamille-bladeren, b Ranunculus arvenfis foliis Chamaemeli , flore 

phceniceo Tournef. 291. Adonis Matthioli, 
Adonis fylveftris flore phceniceo ejusque foliis 
longioribus. C. B. Pin. 178. 

DEeze Planten verftrekken hier niet als tot een eieraad. De Rups die men hier ziet, eet de 
bladeren van de Framboife-boom. De dertiende juni begon zy zich te vervormen, na zich 
in zyn vel omwentelt te hebben, daar na hield ze zich ftil tot op den veertiende van Juli, zulks dat 
ze een en dertig dagen doorbragt om te vervellen , ten einde van dewelke uit haar voortquam een 
bruine Kapel, waar van de vleugeltjes yder in 't midden een ronde vlak hadden, trekkende na den 
witte. Deze Kapel kroop langzaam langs de gront: zy ftierf twee dagen daar na. 

C L V T. 

Groote Oofterfche Hyacinth. Hyacinthus orientalis maximus C. B. Pin. 44. 

DEze Rups fchiet zyn zaad op de bladeren van Boomen , dewelke zy overdekt met een foort van 
hair of wol, om dezelve te befchermen tegen de koude; als men deze omgerolde bladeren opent, 
vind men daar in groen zaat. Zy eet kruisbeziën-bladeren , 't zy witte , roode of fwarte , dewelke zy 
t'eenemaal vernielt; en fchoon men ze alle dagen dood, zoo vind men ze den volgenden dag alzoo 
veel. Alle de Natuur-kenders meiken aan dat de Vogelen gantfeh niet van deze Rupfen eeten , en 
dat ze op den dertiende Juli zig bereiden om te vervellen, dat 'er dan uit voortkomen witte en fwart 
gevlakte Capellen. 

Deze Dieren als zy voor den dag komen zyn niet grooterals eenVlooy: en in 't vervolg groeven 
ze ooo-enfchynlyk en worden veel grooter. Men vind ze in de gragten , en zy gebruiken ook geen 
ander voedfel , ten zy de een den ander opeet. Ik heb gefien dat een van de grootfte in weinig tyds 
heeft opgegeeten de kleinfte van defelve foort ; waar van daan het ook voortkomt, dat deze kleine 
Dieren by uitftek vreesagtig zyn. Van de eene van deze bloedeloofe Diertjes komt dit blaauw ge- 
vleuo-elt Dier voort, 't welk men op de Plaat afgebeeld ziet. 

C L V I I. 

Oofterfche Hyacinth met een dubbelde bloem. Hyacinthus orientalis flore duplici C. B. Pin. 45. 
a Kleine geele Narcis-bloem met een biesblad. a Narciflus Juncifolius luteus minor C. B. Pin. ji. 

DEeze Rups voed zig met het hart van de gefloote witte Kooien. De regen doet haar fterven, 
en verdroogt fe t'eenemaal. Dit bloedeloofe Dier heeft dit als wat fonderlings , dat het twee- 
maal in 't jaar vervelt, eens in de Somer, en voor de tweede maal op het einde van dezelve. Haar 
cerfte geftaltverwiiTeling gefchied in weinig tyds, dog foo haar de winter overvalt, foo houd het zig 
verborgen foo lang de groote koude duurt. Het begint te vervellen den eerfte Juli, en den twaalf- 
de van defelve maand komt 'er een fchoone witte Capel te voorkhyn , maar de andere vervorming 
duurt langer: het bleef in die ftaat tot den vyftienden van Mai van het volgende jaar, als doen quam 
'er uit voort een gelyke Capel als de eerfte. 



CLIII. 





CLV 




CLVI. 





CL VII. 




CLIX. 




cxx . 




EUROP1SCHE INSECTEN. 



79 



C L V I I I. 



Witte Oofterfche Hyacinth 
a Irias met een breed blad , zynde Neder- 
landfch en van een verfcheide koleur 

b Hondstand met een breed en rond blad 

c Groot blaauw Vliegverdryvend kruid. 



De Hondstand brengt gemeenlyk voort twee bladeren , fom- 
tydsdrie, verfpryd langs de grond, gelykende na die van hec 
Varkens brood , tuflehen dewelke opklimt een zuiltje van een 
hand hoog, zynde rond, glad, voortbrengende een fchoone 
bloem met fes blaadjes , langwerpig, fpits, hangend en gckrult 
na boven, fomtyds purpcragtig, van binnen getekent met mclk- 
agtige vlekken, hebbende in 't midden les purperagtige vezelen. 

De Mufcari is een Plant die van de wortel voort doet komen 
vyf of fes bladeren, op de grond verfpreid, fmal, gegroefc, en 
langer als een half voet, tamelyk dik en vol van lap. Van tuf- 
fchen haar verheft 'er zig een (tam, langer als een vierde vaneen 
voet, rond, redelykdik, fonder blad, dog van byna van de 
midden af tot aan het bovcnlte omkleet met bloemen, gefor- 
meert als fchelletjcs, met kanten uitgekorven aan fes deeïen in 
haar opening, in den beginne groen of purperagtig van koleur, 
daar na blaauwagtig groen, wil of fwartagtig, of van een don- 
ker purper, daar na bleek, en wanneer zy beginnen te verdwy- 



Hyacinthus orientalis albus primus C.B. Pin. 44. 
a Iris latifolia belgica variegata C. B. Pin, 32. 

b Dens Canis latiore rotundioreque folio C. B. 

Pin. 87. 
c Mufcari coeruleum majus Tournef. 347. Hya- 

cinthus racemoius cceruleus major. C.B. 42. 

Na dat deze bloem is verdwenen, komt 'er in haar plaats een 
byna ronde vrugt en verheven met drie hoeken , van een groene 
koleur, rood gemarmert. Deze vrugt bevat in zig drie kamer- 
t;e?, vervult met langwerpige ziden: Haar wortel is vleesagtig, 
langwerpig, boven veel dunder als beneden , gelykende cenig- 
fints na die van de Hondsiand. 



nen, fwartagtig. Opdeze bloemen volgen eenige redelyke dik- 
ke vrugten , yder opgeheven zynde met drie hoeken , en verdeeld 
in breede kamers, vervult met eenige ronde en (warte zaden. 
Haar wortel is een dikke witagtige bol , overtrokken met ver- 
fcheide vliefen , van ondere voorden met eenige vcfelen. De 
Heer Tournefort heefc eenig onderfcheid gemaakt tuflehen dit 
gefhgt van Plant met die van de Hyacinth, dewyl dat in de 
Mufcari de bloem by de opening een foort van een getrenfte 
klok is, in plaats dat die van de Hyacinth fecr uitgebrcit is. 



C L I X. 

Groote witte NarcilTebloem met een lange NarcifTus major , totus luteus, calice pradongo. 
kelk. C. B. Pin. 52. 

Deze Rups en zyn geftaltverwifTeling zyn in de veertiende Uitlegging befchreven. 

C L X. 

Keizers Kroon. Corona Imperialis Dod. Tournef". 372. 

|Eze Rups word gevoed van Kropfalade, indien men ze maar het minfte aanraakt, houd ze zio- 
aanftonds zo ftil of ze dood was, rolt haar in een als een kloot, en doet haar hair opreilen als 
een Egel , indien men ze wil aangrypen by het hair, zoo laat fe het aaniïonds nedervallen. De 
Vogelen eeten 'er gantfeh niet van en hebben tegen dit bloedeloos Diertje een natuurlyke afkeer , 
dewyl het fenynig is. Ik heb het lomtyds op deze bloem gefien, dog ik ben tot nog toe onfeker of 
het daar van eet: het begint zig te vervormen den dertigfte van de maand Juni in een Pop , en den 
twee en twintigfte van Juli komt 'er een fchoone en groote Capel uit voort, die gevlakt is als Brefils 
hout. Deze Capel legt ook eieren , maar men ziet ze die niet uitbroeijen als in de maand van Oc- 
tober. De Ruplen , die daar uit voortkomen , verbergen zich onder de grond en bly ven daar de 
gantfche winter. 



Het blad en de ftam van deze Plant gelyken na die van deLe- 
ly: de bloemen zyn geformeert als een kroon, die bovenop 
voorfien is met een bosje van bladeren , te famen formerende een 
foort van een klok, geel of bleek, of van een purpcragtigc ko- 
leur, trekkende na den ïoode. Wanneer deze bloem is afgeval- 



len, foo komt 'er een langwerpige en gegroefde vrugt voort, 
inwendig verdeelt in diie kamertjes, vervult met platte zaden: 
haar wortel is knobbelagtig, niet fchubagtig, maar vaft als die 
van de bol , te famen geftelt uit vliefen die in malkander fchie- 
tcn. 



Xiphion of knobbelagtige Irias 

a Een groote witte NarcilTebloem 
b Leeuwerks Voet. 



C L X I. 

Xiphion Anguftifolium verficolor.elatius T. 364. 

Iris bulbofa &c. C. B. Pin $9. 
a NarcifTus totus albus major. C. B. Pin. 49. 
b Delphinum hortenfe, flore majore &multiph> 

ei C. B. Pin. 124. 

DEze Rups eet byna fonder onderfcheid allerlei foort van kruidenen van bladeren. Zy is vaneen 
fchoone fwarte koleur: wanneer men ze aanraakt rolt fe zig als in een hoop. Zy vervormde 
zig den dertiende September 1728. in een Pop en den vyfde Mai in het volgende jaar quam 'er uit 
voort een witte Capel, op drie verfcheide plaatfen gefprinkelt met fwarte vlakken. 



V x 



8o 



EUROPISCHE INSECTEN. 



C L X I I. 



Een groote Tagete met een geel bleeke 
bloem. 
Een regt opgaande Tagete met een enkelde 
bloem van een zeer bleek geele koleur. 

a Klein gras of Gras-paarlen met een blaauwe 
bloem. 

b Een groote Capucyn. 



De Tngete brengt eenige geftreepte bloemen voort: deze 
bloemen zyn halffligtig en de halve loofwerken zyn vrouwclyk, 
dog de v!ag van de eene en de tong van de andere komen dikwils 
te voorfchyn onder vvunfehapene gedaantens. De eyerneften zyn 
gdei boven op een kale moederkoek, en zy dragen een foort van 
een an.üquc kroon, waar van de boven-puniengemeenlyk onge- 



Tagetes major flore luteo pallefcente Vaillant 

Acad. Reg. Scient. anno 1720. Mem. 
Maximus , rectus , flore fïmplici , ex luteo 

pallido J. B. Tournef. 488. 
a An Lithofpermum paluflre minus flore 

cceruleo Tournef. 137. 
b • Cardamindum ampliori folio & majori 

flore, Tournef. 430. 

lyk zyn. Alle deze deelen zyn bevat in een enkelde kelk , zyn- 
de langwerpig rond , volgens zyn langte gegroeft en aan de rand 
tandswyfe gekartelt. Men kan 'er byvoegen dat de bladeren 
gevleugelt zyn na de zyde of ingefneden in verfcheide quabben, 
of tanüswyie gekartelde vleugeltjes , en ontrent hare randen 
doorzaait met knopjes of doorichynende punten. 



C L X I I I. 

Irias meteen breed blad , hebbende de reuk Iris latifolia Belgica , odore Sambuci C.B. Pin. 

van de Vlierboom. 32. 

Dit bloedeloos Diertje word befchreven in de agt en dertigfte Uitlegging. 

C L X I V. 



De vrouwelyke Pionie met een roode en groote 
bloem. 



Poeonia foemina flore pleno, rubro, majoreC. B. 
Pin. 174. 



, Eze fwarte Vlieg word voorfgebragt door een kleine Rups, dewelke de bladeren van de An- 
conlis eet, terwyl zy nog jong en teder zyn, en ze hegt 'er zoo vaft aan de enden van de 
biaderen , dat men haar daar niet van af kan haaien fonder haar te quetfèn. Zy vreeft nog regen , 
nog wind , nog koude. Als ze iets gevoelt dat haar ongemak toebrengt , zoo beweegt en fchiet 
zig op een fonderlinge wyfe. Deze Rups verwilTelde zig in een Pop op den negende van de maand 
|uni , waar uit op den drie en twintigfte van de zelve maand een fwarte Vlieg voortquam. Deze 
Vlieg fet zig in 't gemeen , eer dat de Son opgaat, op de bladeren van de Kruis-befièn boomen, 
waar van zy den dauw likt, die haar tot voedfel ftrekt, maar zoo zy twee dagen fonder eeten blyft, 
Üerft ze. 



Men onderfcheir. de Pionie in mannelyke en vrouwelyke. De 
Wortel van deze is te famengeftelt uit verfcheide knobbels, ge- 
lykende na die van de Radys~ofKnolletjcs,die als aan de vezelen 
hangen, gclyk als de Afodille. De ftammen klimmen op ter hoog- 
te van twee ellen, zyn takagtig en een weinig hairagtig, rood 
en dik omtrent als een duim : de bladeren zyn te famen geftelc 
uit verfcheide anderen, vaftgehegt aaneen dikke rib, en takag- 
rig: Zy zyn in verfcheide gedeeltens ingefneden: de bloemen, 
die voortkomen op de topenJen van de ftammen > zyn die van de 



breede Roofen gelyk, geformeert uit fes of agt neergaande rood- 
agtige bladeren, uit het midden van dewelke een groote hoop 
vezelen met een zuiltje zig verheft, dat verandert word in een 
vrugt, waarin by een vergadert zyn eenige hoorntjes , gefchaart 
als een ftraal, zy zyn van een dikke fubftantie enwolagtig, wor- 
den verandert in haften van anderhalf duim lang , dik, roodag- 
tig en hairagtig, na beneden omgebogen, en bevatten in zig 
fuivere zaden, van buiten fwart, van binnen wit, zynde dik en 
rond als een Erwt. 



C L X V. 



Beeren Oor. 



Auricula Urfï. 



DEze Rups , na langen tyd zig met de bladeren van deze Plant gevoed te hebben , verbergde 
zig in een hoekje , alwaar van hem .van yder zyde een groen Wormpje voortquam. Zy be- 
weegde zig zeer heen en weder, even eens als of ze pyn of eenige ftuiptrekkende bewegingen hadde 
gevoeld. 

Aanftonds als de eerfte Worm was uitgekomen , hield ze zig zeer ftil aan de plaats daar ze uit ge- 
komen was, en verliet ze niet voor dat ze daar al het fap had uitgefoogen, niets agterlatende als 
het vel. De andere Worm (Kerf fonder voedfel te gebruiken , en wierd van de eerfte opgegeten. 

Deze Worm , na wel gevoed te zyn geweeft , bleef onbeweeglyk zonder voedfel te gebruiken tot 
op den vyftiende van October 1716. 31s doen veranderde zy in een fwart ey,waar uit op den agtien- 
de Mai in het volgende jaar voortquamen twee Vliegen, gelykende na die, dewelke afgebeelt is op 
de Plaat. 



Deze Plant brengt uit zyn wortel voort groote bladeren, 
glad, poezelig, dan eens tan. Isvvys ingekorven, en dan weder 
heel, bitter van fmaak: tufichen deze bladeren verheffen zig 
eenige Hammen, die op h'aare topeinden dragen eenige geele of 
bleeke bloemen, van zig gevende een foetc en honingagtige 
reuk : yder bloem is een verwyderde buis, even als een tregter, 



met een vlag in vyf deelen gekorven en voorzien in haar midden 
met geele vezelen. Uit haar kelk verheft zig ook een zuiltje, 
dat 'er aan vaft gehegt is op de wyfe als een fleutel, en dat in'c 
vervolg eeneyrondeenfpitle vrugt word : het verdeelt zig in twee 
kamertjes, vervult met dunne en hoekige zaden: haar wortel» 
zyn gcvezelt, roodagtig, hangende vaft aan de fteenen. 



CLXI. 




CLXII . 




CLxnt 







CLxr£ 




cxxv. 




CLXVI. 




CLXVII . 



CLX\ r lll . 





CLXIX; 




GXXXT 




CI*XXIIl. : 




E'UROPISCHE INSECTEN. 



Groote Granaad-appelboom, 



C L X V I. 

Punica flore pleno majore. Tournef. 6^6. BaiauPiica flore p!e- 
no majore C. B. Pin. 438. 



De takken van dit boompje zyn dun, hoekagtig, voorzien 
met doornen : haar balt is roodagtig. Haare bladeren zyn klein, 
door eenige roodagtige fteelen vaÜgehegt, gevende een flerke 
reuk van zig wanneer zy verplettert worden : h.iar bloem is 
groot, ïchoon, rood van koleur, trekkende na het purper , te 
iamen gelteld uit veel bladeren, gefchikt op de wyfe als een 
Roos in de holligheden van de kelk j deze kelk is langwerpig, 



hard, purperagtig, van boven breed, hebbende renfgermaren 
de gedaante van een klok: haar bodem word, nu dat de broern 
afgevallen is, een vrugt: deze vrugt groeit aan tot een dikke 
ronde Appel, voorzien met een kroon, die gefoi meert word 
door de inkervingen van het bovenfte van de kelk: haar ba il is 
zoo hard als leder , van een purperagtige koleur, van buiten 
donker en geel van binnen. 



I 



C L X V I L 

Geele bergagtige Violier. Viola montana, lutea, grandiflora C. B. Pin. 200. 

K heb niets aantemerken op de hervorming van dit bloedeloos Diertje. 

Men vind de Befchryving van deze Plant op de zevende bladzyde van de Uitbeelding. 

C L X V I I L 



a Slaapbol 

b Lely met een omgeboge bloem 

c Knobbelagtige Lifch 

d Ancolie 

c Tulp 

f Bloem als een witte Lely 

g Ranuncul 

h Roos 

i Roos oorfpronkelyk uit Guyenne 

k Klaproos of Windkruid. 



a Papaver 

b Lilium fiore reflexo 

c Xiphion vel Iris buibola 

d Aquilegia 

e Tulipa 

f Convolvulus 

g Ranunculus Tournef. Adonis C. B. 

h Rofa 

i Fritillaria 

k Anemone 



Onder de Klaproos zyn 'er drien bloemen van een drieverwige koleur, in 't Latyn Viola tricolor t en twee bloemen 
vooufpruitende van 't Verheusbrood. 



C L X I X. 



a Knobbelagtige Lifch 

b Goudbloem 

c Klaproos met agt bladeren 

dTulp 

e Witte NarcifTe 

f Nagelbloem 

g g g Drie Roofen. 



a Xiphion vel 'Iris buibola 

b Caltha vel Calendula 

c Anemone o&ophyllo 

d Tulipa 

e NarcifTus albus pleno flore 

f Caryophyllus 

g g g Tres Rof^. 



C L X X. 



EERSTE BLOEMKRANS. 



a Capucyn 
b Lilch 

c Narciffebloem 

d Kleine tak van een Oranjeboom 
e Zonnebloem 
f Tulp 
g Vioolftoel 
h Kalmus. 
In het midden is een Nagelbloem en een Roos 
geplaatft. 



a Cardamindum 

b Iris 

c NarcifTus 

d Ramulus Aurantii 

e Corona Solis 

f Tulipa 

g Leucoium 

h Xiphion 

In medio fitae funt Cariophyllus & Rofa. 



X 



8i 



EUROPISCHE INSECTEN. 



C L X X L 

TWEEDE BLOEMKRANS: 



ï Vettekous 

2 Klaproos 

3 Hyacinth 

4 Roos 

5 Heul of Mankop 

6 Klokbloem van No. 173 letter a 

7 Tulp 

8 Lely met een gekrulde bloem. 



1 Campanula arvenfis 

2 Anemone 

3 Hyacinthus 

4 Rofa 

5 Papaver 

6 Campanula No. 173. littera a depiéta 

7 Tulipa 

8 Lilium flore reflexo. 



Deeze Plaat verftrekt tot zieraad aan het einde van dit Werk. 



C L X X ï I. 

DE Rups in deze Bloemkrans bevat , neemt zyn oorfpronk van het vermolmde hout van de 
Wilgeboom. Zy houd zig gemeenlyk op in het pit van die boom, winter en zomer. Zy 
begon haar geftaltverwifteling den feftiende van de maand Juni , in zulker voegen als men het hier 
ziet, en bragt de Kapel, die ik van digte by afgebeek heb, den vyf en twintigfte Juli te voorfchyn. 

C L X X I ï I. 



Swarte en witte Mankop 

a Klokbloem , Halskruid , alias Onfe Lieve 
Vrouwe Handfchoenen met een blad van een 
Perfikeboom, 



Papaver flore plenOjalbum& nigrum C. B. Pin. 171, 
a Campanula Perncae-fblio ClufiiTournef. m. 



Groote dubbelde Roofeboom. 



C L X X I V. 

Rofa multiplex media. C. B. Pin. 482. 

C L X X V. 



1 Roos 1 Rofa 

2 Spaanfche Jafmin met een groote bloem 2 Jafminum Hifpanicum flore majore 

3 Klaproos. 3 Anemone. 

Dit Dier kruipt langfaam en 't fpeelt de quaadaardige als men het tergt, het laat zig niet verjagen 
van zyn verblyfplaats als met moeite. Het heeftop het agterfte gedeelte van het lichaam een 
lymagtige prikkel, waarmede het zig befchermt , het bediend 'er zig van om die prikkel vaft te 
maaken op zekere plaatfen als het ruft, uit vreefe van genootfaakt te zyn te rug te keeren. In 't 
vervolg haalt het zyn kleine lichaam in malkander, en met de gehoornde prikkels, waarmede het 
hooft gewapend is, verweert hy zig: na dat ik het verfcheide dingen om te eeten had toegeworpen, 
en. die wygerde te proeven, zoo gaf ik hem eenige kevers, die hy at , en hebbende daar van het 
binnenfte opgegeten , befloot hy 'er zig in, en maakte agter zich een hol. Hy bleef in deze fchuil- 
plaats federt den twintigften Augufti 1729. tot aan den negenden Juni van het volgende jaar. Als 
doen quam 'er uit voort een klein en zeer fchoon gevleugelt Dier. Zyn vleugels waren doorfchy- 
nende, en zoo teder dat het byna niet mogelyk was om het met het penfeel af te malen. Het had 
twee goudkoleurde oogen , het lichaam was bleekgroen , trekkende een weinigje na den blaauwe, 
vliegende hefte hy zyn hooft om hoog, latende het ander gedeelte van zyn lichaam nederwaarts 
hangen. Zyn vleugelen waren te groot en belette het te vliegen, 't is ook daarom dat het door de 
wind wierd vervoerd. Het ftierf binnen de twee dagen en vafte al die tyd. 



De Spaanfche Jafmyn is een Boompje dat voortbrengt eenige 
zeer lange dunne en quaftige takken, zynde buigfaam, fwak, 
groen, vervult met een voofe pit. Zyne bladeren zyn langwer- 
pig, de topenden afgerond, gefch aart by paaien, langs de eene 
ribbe, die eindigt door een blad alleen. Yder rib is gemeenlyk 
bezet met feven bladeren , fomtyds met vyf , glad , van een 
ichoone groene koleur. Zyne bloemen zyn als Sonnefchermen 
aan de topenden van de takken, van een foete en zeer liffelykc 



reuk , wit van binnen en roodagtig van buiten : Yder van deze 
bloemen is van boven af een verwyderde buys en ingekorven als 
een Star in vyf gedeeltcns. Na dat de-bloem is afgevallen, zoo 
volgt 'er fomcyds op een ronde , groenachtige en fagte bezie, 
bevattende in zig eenige ronde en platte zaden } maar in de 
Noorder Landftreeken valt gemeenlyk de bloem af, zonder 
vrugt na te laten. 



CLXXTV: 




CLXXV. 




CLXXVI. 




CLXXVII. 




CLXXVIII. 




CXXXIX . 




CLXXX. 




CXXXXI 




EUROPISC HE INSECTEN. 83 

G L X X V L 

Ranuncel met een knobbelagtige wortel. Ranunculus radice tuberofa , flore pleno Sc proli- 

fero C. B. Pin. 170. 

r\ Eze foort van Sprinkhanen houden alle jaaren zig op in de Nederlanden rondom de oude Lin- 
•*--* deboomen, tegen de maand van November en December. Zy zuigen de vomigheid uit deze 
Boom en beftaan 'er eenige tyd van. Als de winter nadert fterven fe alle onfeilbaariyk, die van de 
Lindeboomen zyn uitgegaan, en zy verlaten deze boomen niet , zoo lang als 'er wormen in het 
hout van de, Lindeboom gevonden worden. Maar zoo haaft als deze Wormen in Sprinkhanen zyn 
verandert, zoo eeten zy iets anders. 

Deze Worm gaat over tot zyn geftaltverwifTeling in het herte of merg van de Boom; na haar 'ge. 
plaatft te hebben in een warme plaats, zoo brengt hy op den laatften dag van Januari een Sprink- 
haan voort, die eerftelyk verwiiïelt van vel en daar na van koleur: ik heb fe den tyd van veertien da- 
gen gevoed met Peren , Appelen en Suiker, dog eindelyk ftierf ze. 

C L X X V I L 

* Klaproos met fes bladeren. * Anemone tenuifolia hexaphyllo C. B. Pin. 174. 

t Klaproos met een roode bloem t Anemone tenuifolia, coccineo flore odophyllo C. B:. 

met agt bladeren. Pin. 174. 

K heb reeds deze Plant befchreven, en dewyl Mevrouw Merian aldaar geen bloedeloos Diertje 
geplaatft heeft, zoo kan men daar ook geen befchryvinge van byvoegen. 

C L X X V I I L 



1 



Roode Klaproos. ' Anemone tenuifolia multiplex rubra, C.B Pin. 167. 

aaa Laattydige Roofen , aaa Fritillaria ferotina floribus ex flavo virentibus, C. B. Pin. 64, 

oorfpronkelyk uit Guienne* ".".'. 

. - ' 

Deze Roos is dezelve Plant, die JohannesBauhinus Frïtilhria drie, zy is zeer fcnöon en gróöt* te fatnèn geftelt uit fes ricer- 
Melcagris five Fritillaria , reflexis oris ,■ Aquitanica noemt. Deze hellende bladeren, die geformeert worden als een klok, gemar- 
Plant heeft een knobbelagtige wortel, wie, vaft , te Tarnen ge- rhert op de wys als een Dambord, van verfcheide koleuren,pur- 
ftelt uit twee knobbels, vleesagtig, uit het midden van dewel- -. peragtig, Rooferood, rood en wit. Na dat de bloem is afge- 
ke een ftam voonkomt van ontrent een voet hoog, dun, rond, vallen, zoo komt 'er een langwerpige, hoekagtige of driehoek- 
van binnen voos, dragende vyf, fes of feven bladeren , middel- kige vrugt te voorfehyn, verdeelt in drie kamertjes, vervult 
matig lang, Imal, hol, en van fmaak : een weinig zuur. Haar met bleeke en platte zaden, 
topend lyd geme-enlyk niet meer als een bloem, iomtyds twee of 

C L X X I X. 

Dubbelde Nagelbloem. Caryophyllus flore multiplici , maximo &c. H* R. Parif,Tournef. 330. 

DEze Rups word gevoed door wilde Melde, na dewelke zy van koleur gely kt, zy is zeer lang- 
faam en verwiflelt van vel tot viermaal toe , aannemende een nieuw vel , na mate dat ze de 
oude aflegt. Na dat fe ophield van te eeten, zoo quam op den vierden September uit haar lichaam 
voort een Wormpje van een platte gedaante, gelykende na die geene die in het vleefch groeijen, 
dewelke niet en at nog zig geen ruft en gaf, niet doende als gaan van de eene kant na den anderen , 
gedurende de tyd van veertien uuren ; al gaande veranderde zy allengskens van koleur en haar vel 
wierd hard: nalatende van zig meer te bewegen, keerden zy zig weder in een hoop; alsdoen fcheen 
zy te zyn van een donkeragtige bleeke koleur; daar na begon ze een weinig te eeten: de volgende 
dag begon zy onbeweeglyk te bly ven , en bleef in die zelve ftaat tot op den fes en twintigfte Septem- 
ber , als doen quam 'er een Vlieg uit van een vry ongemeene groote geftalte. Zy had lange voe- 
ten , plat op het end en een groot hooft : zy lag gemeenlyk op de rug , de buik gekeert na boven , 
daarom is 't dat Mevrouw Merian dezelve omgekeert leggende heeft afgefchetft. Dewyl my haar 
eigen voedfel onbekent was, foo ftierf fe den derde Oótober. 

C L X X X. 

Xiphium of knobbelige Lifch me£ Xiphion majus flore luteo mixto. Tournef. 36*4. Iris bulboia 
een bleeke bloem. pallido colore. H. Eyft. 

C L X X X 1. 

Vroege Tulp. Tulipa prxeox. 

X z 



^4 



E U R O P I S C II E I N S E C T £ N. 



C L X X X I I. 



Laace Tulp Tulipa Serotina. 

a Roos oorfpronkelyk uit Guienne. a Fritillaria. 

b Hoogduitlche Veld-ajuin met drie bladeren, b Omithogalum trifolium germanicum Tourn. 380. 



De Hoogduitfche Veldajuin brengt eenige lange bladeren 
voort van een half voet hoog, fmal als die van het Gras, zagt, 
leggende op de grond ter neder, hol, getekent in haare langte 
mee een witte ftreep. Van tuflchen haar klimt 'er op een itam 
van ontrent een half voet hoos;, zynde lond, naakt, teeder, 
fchietende in haar topenden vcricheide zuiltjes op als een Zon- 
nefcherm, die de bloemen onderfchragen, zynde yder van haar 
te famen gefteld uit fes neetwaards hellende bladeren , die lang- 
werpig en lpits in de rondte zyn gefchaart 1 hebbende in haar 



middelpunt een verheve buys. D».ze bloem is groenagtig van 
koleur of grasgroen van buiten , wit van binnen en vei feit van 
fes breede en witte vezelen. Na dat de bloem isafgevallen, zuo 
volgt hem daar op na een byna ronde en witte vrugt , opgezet 
met drie hoeken, en innerlyk verdeelt in drie kamertjes, die ia 
haar bevatten eenige dunne, byna ronde en fwarte zaden. De 
wortel is een witte knobbel , aan welke verfcheide andere kleine 
knobbels trosgewys valt zyn, verzeld van vezelen. 



e l x x x 1 1 1. 



Paflibloem.' Granadüla folio tricufpidi Tournef. 240. Clematitis trifolia C. B. Pin. 301. 



Deze Plant breng't voort eenige lange ranken, zynde dun, 
kruipende langs de grond, groenagtig rood, uitfehietende eeni- 
ge gekrulde ftecltjcs, waar mede zy als met handjes zig vaft 
riegten aan de muren, gelyk de Klimop. Haare bladeren zyn 
glad, zenuwagtig , tandswyfe aan haar randen ingekorvcn, 
beurtswyfe gefchaart en laten tuflchen haar de wydte van drie 
vingeren, hebbende ontrent haar fteelen twee kleine verhevent- 
lieden, dik als de korrels van Geers. Hare bloemen komen uit 
de holligheden van de bladeren. Deze zyn met veel blaadjes 



geformeert als een Roos, wit, onderfteunt door een kelk, ver- 
deeld in vyf deelen: uit het midden van deze bloem verheft zig 
een zuyitjq, dat een jonge vrugt onderfchraagt , die te boven 
geklommen word van drie lichamen , die eenigermate fpykers 
verbeelden. Haar vrugt gelykt na die van ie Granaad- appelen , 
zy is, als ze tot haar volkome rypte gekomen is , byna 'van de 
zelve grootte en koleur j dog zy heeft geen kroon: zy is vol van 
een zuuragtig vogt, en bevat in zig verfcheide zaden. 



C L X X X I V. 



Doornagtige Kapperboom met een kleine vrugt, 

en een rond blad 
a Deze Plant is zoo qualyk geè'tft, dat ik niet 

heb kunnen weeten wat het is. 

De doornagtige Kapperboom met een kleine vrugt en een 
fond blad van Cafparus Bauhinus fchiet verfcheide looten uit van 
twee ellen hoog, voorfien met bladeren die by beurtwifleling 
gefchaart zyn , zynde van een rondte gemaakt als een pafler, an- 
derhalf duim breed en zeer bitter. Uic hare holligheden komen 



Capparis fpinofa , fructu minore, folio rotundo, 1 

C. B. Pin. 480. 
a Hsec Planta eft tam male depi&a ut cognofci 

non poffit. 

voort bloemen als een Roos, beftaandc uit vier ftukken, waar 
van het middelftuk is omfet door een talryke hoop van vezelen, 
die in zig bevatten ecnlangagtig zuiltje, van dewelke het top- 
punt een Peerswyfe vrugt word of puntswyfe gedraait , in dej 
welke zyn netten van platte zaden, en van geftalte als een Nier. 





CLXXXÏII - 




clxxxiv. 




Leavss support sd vith lens tis- 
sue ■where weak- Hev all-rag end 
paper slgnatures, unbleaehed llnen 
hing es f leather headbande. Rebound 
In quarter Rnasell's oaeis morooco, 
band narbled paper sidee, vellum 
oornere» Leather treated vith 
potassium laotate * neat's foot 
oil & lanolln. July 1978 

Carolyn Horton & Associates 
430 West 22 Street 
Xe> York, N.Y. 10011 



39088006394217 ■